Een lexicale voorbeschouwing op Nederland-Turkije

Oranje staat in de kwartfinale. Toch leuk. Maar wat me bijna evenzeer interesseert is dit: waarom héét dat ding zo?

De finale, dat woord snap ik: het is de laatste pot van een toernooi, de finale wedstrijd, de finalewedstrijd. En zelfs troostfinale snap ik: dat is een finale om de bronzen medaille; na het finale fluitsignaal van de troostfinale zijn beide ploegen klaar, uitgespeeld. Samen vormen die twee wedstrijden de laatste ronde van een toernooi. (EK’s hebben trouwens geen troostfinales meer; WK’s wel.)

Maar die – wat ik maar zal noemen ‘breukenfinales’, die zijn raar: de halve, de kwart- en de achtste. Hoe moet ik dat zien? Twee halve finales zijn niet samen één finale; ze zijn samen een ronde, namelijk de voorlaatste. Vier kwartfinales zijn samen de eervoorlaatste ronde, de acht achtste finales samen de op twee na laatste ronde. Weet ik heus wel; ook ik ben er sinds mijn jeugd mee doordesemd. Maar waarom? Waarom?!

Lees verder
Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , , , , | 9 reacties

Fietsen op een maïskolf-ijzer

Een ‘slang-ijzer’ is een trein. Die snap ik. En een ‘gier-ijzer’ is een vliegtuig. Vind ik mooi. Beide woorden komen uit het Q’eqchi’, een Mayataal gesproken in Guatemala en Belize. Of laat ik me preciezer uitdrukken: het zijn de letterlijke vertalingen van de eigenlijke Q’eqchi’-woorden.

Het Q’eqchi’ heeft nog wel meer woorden voor grote en kleine gebruiksvoorwerpen die eindigen op ‘ijzer’, of ch’iich’ zoals het daar heet. ‘Wek-ijzer’ voor wekker. Oké. ‘Doorn-ijzer’ voor riek of hark. Leuk. ‘Vervoerder-ijzer’ voor auto. Bijna een beetje ambtelijk.

En dan is er eentje die ik totaal niet begrijp. Er zal vast iets van logica in zitten, maar mij ontgaat ie. Ik heb het over het Q’eqchi’-woord voor ‘fiets’, b’aqlay ch’iich’, dat letterlijk ‘maiskolf-ijzer’ betekent. Waarom? Waar is de mais? Hoezo moeten de Q’eqchi’-sprekers aan een metalen maiskolf denken als ze een fiets zien? En dan niet zo’n sigaarachtige ligfiets natuurlijk, want volgens mij rijden die niet rond op het Midden-Amerikaanse platteland, en zeker niet toen dit woord ontstond. We hebben het hier over doodgewone fiets-fietsen.

Lees verder
Geplaatst in vreemde talen | Tags: , , , , , , | 2 reacties

De Twintigen die Twintigs spreken

De namen van veel volkeren betekenen in hun eigen taal zoiets als ‘mensen’, al dan niet vergezeld van een licht vleiende aanduiding, zoals ‘echte’ of ‘sprekende’. De naam van de taal die ze spreken is daar vaak van afgeleid: (echte)mensentaal, zeg maar. Eén willekeurig voorbeeld zijn de Yami, een inheems volk op Taiwan: zij noemen zichzelf Tao (‘mensen’) en hun taal ciriciring no tao (‘spraak van mensen’).

Daarnaast zijn er aardig wat volkeren die in hun taal het woord ‘twintig’ aanduiden als ‘mens’ of ‘persoon’. De logica is goed te volgen: voor ‘vijf’ gebruiken ze vaak een woord dat ongeveer ‘hand’ betekent’, voor ‘tien’ iets als ‘twee handen’ en voor ‘vijftien’ dan ‘beide handen en een voet’. Bij ‘twintig’ denken ze aan ‘beide handen en beide voeten’, en dan is het wel zo beknopt om dat als ‘persoon’ aan te duiden. (Er zijn ook andere manieren om te tellen aan de hand van het lichaam, maar da’s voor een andere keer.)

Als er veel volkeren zijn die met ‘mens’ zichzelf en hun taal aanduiden én veel volkeren die er ‘twintig’ mee aanduiden, zou je verwachten dat er minstens een paar zijn bij wie een woord voor ‘mens’ zowel op henzelf en hun taal als op het getal twintig zou slaan. En dat blijkt ook zo te zijn. In luttele dagen tijd stuitte ik bij toeval op drie zulke gevallen.

Eén: het Iñupiaq, gesproken door een gelijknamig inheems volk in Alaska. Hun woord iñup (meervoud: iñuit) betekent ‘mens’, terwijl piaq ‘echt’ betekent. En wat is hun woord voor twintig? Iñuññaq. Dat laatste stukje, –ñaq, wil zeggen: ‘hele’ – de hele mens dus.

Lees verder
Geplaatst in taal algemeen, vreemde talen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Heddwen helpt

Nederlanders spreken geregeld Engels, en ook lang niet slecht, al zeggen we het zelf. Sommige Nederlanders kunnen het zelfs extreem goed. Heddwen Newton is er zo een, om de simpele reden dat het een van haar moedertalen is (of eigenlijk haar vadertaal, vermoed ik). Fijn voor haar, maar ook voor ons, want ze deelt haar kennis royaal met alle andere Nederlanders (en Vlamingen), op twee manieren. Ten eerste via de website Hoe zeg je in het Engels, over Nederlandse woorden en begrippen die wij, en vaak ook zijzelf, moeilijk vinden om in het Engels weer te geven. En via de nieuwsbrief English and the Dutch, over precies datgene wat de titel zegt. De onderwerpen zijn leuk, de tips nuttig en de toon heel fijn. Althans, naar mijn smaak.

Verrassend detail: zelf woont en werkt ze in het Duitse taalgebied. Dutch, Duits, aan welke Engelse uitdrukking moet ik nou toch denken?

Geplaatst in vertalen, vreemde talen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Het mensbeeld van de Poolse grammatica

Bij het woord ‘bezield’ denken we vooral aan kunstenaars of idealisten. Veel minder bekend is het als grammaticale vakterm. In de Nederlandse grammatica speelt bezieldheid dan ook een marginale rol, maar in de Slavische talen is dat anders. En nu ik al een paar jaar Pools leer, heb ik op dat punt iets grappigs ontdekt.

Een belangrijke regel in het Pools is deze: mannelijke zelfstandige naamwoorden krijgen in de vierde naamval een andere uitgang wanneer ze bezield dan wanneer ze onbezield zijn. Een broer of een wolf is bezield (żywotny), een tafel onbezield (nieżywotne).* Maar in het meervoud wordt die grote groep van bezielde wezens in tweeën gesplitst. Mensen krijgen dan nog steeds een afwijkende naamvalsuitgang, maar dieren niet. Die worden in het meervoud tot de dode dingen gerekend. Waarom enkelvoud en meervoud op dit punt verschillen, ik zou het niet weten. Een Slavisch familietrekje.

De indeling lijkt op het eerste gezicht simpel, want ooms en bakkers behoren tot de mensen, katten en muggen tot de dieren. Maar hoe zit het met de fabelwezens? Waar laat je de reuzen en kabouters in je grammatica? En de engelen en de duivels? Zijn smurfen mensjes of zijn ze daar te blauw voor? En centaurs en sfinxen – geeft het bovenlijf of het onderlijf de doorslag? Is een tovenaar menselijk? Een spook? Een halfgod, een hele god? Een zombie? Een trol? Vragen, vragen – geef er maar eens antwoord op. Ik bedoel dat letterlijk: loop het lijstje nog eens na en kies zelf welke wezens jij menselijk genoeg zou vinden.

Lees verder
Geplaatst in vreemde talen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Na Jan en na jam

Voorzetsels zijn vaak lastig als je een nieuwe taal leert, omdat ze zich graag anders gedragen dan je zou verwachten en willen. Dat geldt ook voor het Pools. Maar één voorzetsel gedraagt zich daar op een léúke manier verrassend. Dat is po; meer in het bijzonder po met de zesde naamval. De voornaamste betekenis is ‘na’, maar soms is dat een heel bijzonder ‘na’.

Voorbeeld één: ‘de vrouw van Jan’ is in het Pools żona Jana, maar komt haar man te overlijden, dan wordt ze wdowa po Janie: ‘weduwe na Jan’. Klopt als een bus natuurlijk: het post-Jan-tijdperk is aangebroken, dus de weduwe is nu ‘na Jan’.

Voorbeeld twee: een ‘potje jam’ heet in het Pools słoik dżemu, letterlijk een ‘potje van jam’. Dat ‘van’ is niet zo raar: ook het Engels en veel Romaanse talen voegen dat ertussen (jar of jam, pot de confiture, enz.). Maar hoe heet een ‘jampotje’ in het Pools? Je zou kunnen denken aan ‘potje voor jam’ (słoik na dżem), en dat levert inderdaad enkele tientallen Googletreffers op. Een andere, typisch Slavische, oplossing zou zijn ‘jammig potje’ (słoik dżemowy), en ook dat komt de zoekmachine bekend voor. (Wat niet alles zegt, want op internet heerst bepaald geen schaarste aan onjuiste zinnen. Daar zorgen tweedetaalsprekers en vertaalmachines wel voor.) Maar wat verreweg het meest voorkomt, is słoik po dzemie: ‘potje na jam’. Ik vat dat op als: de jam is eruit, dus het potje is nu ‘na de jam’. Vergelijkbare gevallen zijn ‘dozen na schoenen’, ‘flessen na bier’, en nog veel meer. Prachtig.

Zo, en nu ben jij een ‘lezer na een blog’, czytelnik po blogu. Althans, dat heb ik verzonnen. Maar is het goed Pools? Nee, dat is online niet te vinden. Die formulering gaat kennelijk zelfs de schrijvers van ónjuiste Poolse zinnen te ver. Gelukkig heb ik nu in die leemte voorzien.

Geplaatst in vreemde talen | Tags: , | Een reactie plaatsen

(39:) Kunnen we ook Slavische talen ‘temmen’?

Alle Germaanse talen lijken op het Nederlands, en de Romaanse talen zijn vertrouwd omdat ze het Nederlands zo beïnvloed hebben. Maar hoe zit het eigenlijk met de derde grote groep van Europa, de Slavische talen? In mijn boek Zeven talen in zeven dagen laat ik zien hoe we Germaans en Romaans snel kunnen ‘temmen’ omdat er zo veel vertrouwds in zit. Geldt dat voor het Slavisch ook?

Het korte, ongenuanceerde antwoord is: nee. Met de kennis die we al hebben, komen we in dit geval veel minder ver. Weliswaar treffen we internationale woorden als aplikacija en analýza aan, maar het zijn er in het algemeen te weinig om zelfs maar de hoofdlijn in teksten te herkennen. Maar nutteloos is onze Germaans-Romaanse voorkennis nou ook weer niet.

Ik wil dat illustreren aan de hand van één woord: het Poolse werkwoord ważyć. De basisbetekenis daarvan is ‘wegen’; de uitspraak is ongeveer ‘vazjitsj’. Ik zal zes aanknopingspunten noemen, waarvan nummer 5 mijzelf het meest heeft verrast.

Lees verder
Geplaatst in 7D7T, vreemde talen | Tags: , , , , , | 7 reacties

(38:) De minst gelezen bladzijde

Kijk, daar links staat het. Nee, niet bovenaan, daar draag ik het boek op aan mijn vrouw, Marleen Bekker, omdat zij een belangrijk aandeel had in het eerste idee voor dit boek. Ik bedoel een stukje lager: eerste, tweede, derde en vierde druk, 2022. Vierde druk, in ruim vier maanden tijds! Dat is me in Nederland nooit eerder gelukt. Zesduizend stuks zijn er van Zeven talen in zeven dagen al over de toonbank gegaan, en nu zijn het 6001e tot en met 7500e exemplaar beschikbaar.

Lees verder
Geplaatst in 7D7T | Tags: , , , | 6 reacties

Goedbedoelde sabotage

Wat is luisteren toch moeilijk. Of misschien moet ik zeggen: wat is hóren moeilijk. Onze oren en hersens zijn zo gewend aan onze moedertaal – zodra ze iets anders horen, laten ze ons lelijk in de steek. Nieuwe, onbekende klanken zijn sowieso een probleem. Maar het is zelfs nog erger, weet ik nu.

Een paar jaar terug probeerde ik Vietnamees te leren. (Ik heb daar toen over geblogd.) Net als in het Nederlands komt daar de ng-klank in voor. Als mijn docent Huyền een Vietnamees woord als ông gebruikte, herkende ik die. Maar zei ze ngã (‘vallen’), dan niet. Waarom niet? Simpelweg omdat mijn oren, of eigenlijk het luisterkwabje in mijn Hollandse hersens, er niet op rekende dat een woord weleens met /ng/ zou kunnen beginnen. Omdat het Nederlands dat niet doet, heb ik al aan de moederborst afgeleerd om daar alert op te zijn. Raar idee: nog niet zindelijk, maar al wel weten dat woorden niet met /ng/ kunnen beginnen. Ik was een viezerik én een slimmerik – net als jij.

Lees verder
Geplaatst in vreemde talen | Tags: , , , , | 6 reacties

Oproep: deel je ezelsbruggetjes!

Om nieuwe woorden in vreemde talen te onthouden gebruik ik allerlei trucs en methodes, en een daarvan zijn ezelsbruggetjes. Ik zal zo een paar voorbeelden geven – en daarna ben ik benieuwd naar de jouwe!

De meeste ezelsbruggetjes die ik ooit heb gebruikt ben ik allang vergeten. En gelukkig maar, want het doel is natuurlijk dat ze zichzelf overbodig maken. Ze zijn als de steigers rondom een huis in aanbouw: als het huis staat, kunnen ze weg. De taal die ik nu leer is Pools, en daar heb ik ze nog wel hard nodig. De eerste vier voorbeelden gaan dan ook allemaal over die taal:

  • Gasić betekent ‘uitdoven, uitdoen’. Ik onthou het als ‘het gas uitdoen’. Het woord voor aandoen ken ik gelukkig al ongeveer, dus daar dreigt geen verwarring mee.
  • De beginletters van rdzenny (‘inheems’) vat ik op als de medeklinkers van ‘reeds’. Het verband is, dat inheemse mensen er ‘reeds’ waren, eerder dan andere bevolkingsgroepen die nu in hetzelfde gebied wonen. (Ezelsbruggetjes mogen gerust vergezocht zijn.)
  • Het werkwoord badać (‘onderzoeken’), waar ik voorheen hardnekkig dabać van bleef maken, heb ik eronder gekregen door te denken aan de Wet van Archimedes: volgens de overlevering zou de denker daarop zijn gekomen door onderzoek in bad.
  • Het werkwoord marzyć voor ‘dromen, verlangen’ koppel ik aan het woord marzec voor ‘maart’ – ik droom ’s winters zeker wel van maart.
  • Het Latijnse puppis (‘achtersteven’) koppelde ik lang geleden aan poep, want die komt uit onze eigen achtersteven. (Ezelsbruggetjes hoeven niet smaakvol of zelfs maar fatsoenlijk te zijn.) Doordat ik puppis kende, kon ik later makkelijk het Spaanse popa onthouden, met dezelfde betekenis. Dat zou ik geen ezelsbruggetje noemen, maar inzicht in werkelijk bestaande verbanden.
  • Gehoord van een kennis: zij onthoudt het verschil tussen de Nederlandse woorden aanraden en aanraken aan de hand van de letter d in adviseren, een synoniem van aanraden.

En nu ben ik dus heel nieuwsgierig naar de ezelsbruggetjes die jij zelf hebt gebruikt, of die je misschien van andere mensen kent. Het gaat me vooral om geheugensteuntjes op vocabulairegebied, maar als je er een hebt op andere deelterreinen van de taalstudie, zijn ze ook welkom. Ze mogen over welke (tweede) taal dan ook gaan, ze mogen vergezocht, onlogisch of onnet zijn, ze mogen visueel, auditief of wat dan ook zijn. Zolang ze hun werk maar doen: de ezel naar de overzijde brengen.

Kom maar door!

Geplaatst in vreemde talen | Tags: , , , | 7 reacties