Mijn nieuwe boek, De Wereldatlas van de taal, dat in februari verschijnt, heeft een voorgeschiedenis van ruim een halve eeuw. Zo lang ben ik namelijk al dol op kaarten. Landkaarten, geen speelkaarten. Om precies te zijn is die liefde begonnen op een woensdagavond begin jaren zeventig.
’s Middags had ik een stapeltje boeken geleend bij de bibliotheekbus die elke woensdag tegenover de kerk stond. (Ja, ik ben opgegroeid langs het tuinpad van mijn vader.) De meeste van die boeken ben ik vergeten, maar van eentje herinner ik me drie dingen. Beslist iets met Madagaskar. Vagelijk iets met een zeeman – was die daarheen gevaren? En vooral, vrij scherp: een grote bonte wereldkaart.
Die heb ik de hele avond, althans tot bedtijd, gefascineerd zitten bestuderen. Ik zal niet beweren dat ik sindsdien alle afgebeelde landen ken, maar veel zal het niet schelen.

Onlangs heb ik dat boekje op Marktplaats teruggevonden, met dank aan sociale media en de Koninklijke Bibliotheek. Ik weet nu dat het Kleine atlas heette, en dat het de Nederlandse vertaling was van een Frans origineel uit 1969, getekend en geschreven door ene Alain Grée. Ook zie ik nu hoe slecht het was.
De verhaallijn, om te beginnen, verdient het nauwelijks zo genoemd te worden. De personages worden totaal niet geïntroduceerd. Op de eerste bladzijde is ene Leo op Madagaskar, en berispt ene kapitein Simon ene Piet en ene Marijke omdat ze niet weten waar dat ligt. Al die namen komen pas op de laatste bladzijde weer terug: ‘Nu weten Piet en Marijke dat de brief van hun vriend Leo…’
Maar dat is niet het ergste.
Lees verder











