De drongo zingt zoals hij gebekt is*

Vlaggendrongo (Dicrurus paradiseus)

Vlaggendrongo (Dicrurus paradiseus)

Spoedcursussen Chinees, Fries, Papiaments en Arabisch. Een ‘lab’ over nieuwe Nederlandse dialecten en over het opmerkelijke, uitzonderlijke, kortom rare karakter van het Nederlands zelf. Een voorproefje van een digitale cursus gebarentaal, een documentaire (Vraem luuj die plat kalle) over mijn eigenste Limburgs, een quiz over de talen van Afrika en veelbelovende lezingen. Dat alles op één dag, in één gebouw, pal onder mijn ene neus – en toch ga ik het allemaal missen.

Hoe kan dat? De verklaring is simpel: ik zal er zelf als attractie tussen staan.

Er is dus, dat moge duidelijk zijn, een festival ophanden over taal, over talen, over meertaligheid, zo’n festival waar je taaloren op een lekkere manier van gaan tuiten. Het was een idee van taalvrouw Maaike Verrips van de Taalstudio, die dit taalidee vorig jaar voor het eerst heeft verwezenlijkt en die nu het halve Nederlandstalige taalwereldje naar haar taalfestijn heeft weten te lokken. En dus moet ik daar als taaljournalist en schrijver van Taaltoerisme en maker van een talenreisgids bij zijn. O ja, het festival heet Drongo, en meer taligheid dan op 28 september in de Openbare Bieb van Amsterdam ga je de rest van het jaar niet meer beleven (of je moet al een heel bijzonder leven leiden). [Servicemededeling: het programma van Drongo staat hier, het Twitteraccount is @drongofest.]

De attractie die ik mede beman, is mijn zelfopgerichte Reisbureau de Taalliefhebber, dat alleen op 28 september in de OBA geopend zal zijn. Met behulp van geavanceerde software geven mijn collega en ik iedere geĂŻnteresseerde bezoeker een reisadvies op maat, gratis en vrijblijvend. Daarnaast is er enig taaltoeristisch drukwerk in de aanbieding. En als je me kent van Twitter, dit blog, mijn boeken of uit het volle leven, ben je natuurlijk ook welkom om even te komen (bij)kletsen. Liefst in een vreemde taal, in een interessant dialect of op zijn minst met een vet accent.


* ‘Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is’ vind ik eerlijk gezegd een tuttige uitdrukking. In het Duits zeggen ze ‘reden wie dir der Schnabel gewachsen ist’. Klinkt een stuk stoerder. Maar ja, vertaal dat maar eens mooi. Ik kom er niet zo goed uit.
Geplaatst in taal algemeen, vreemde talen | Tags: , , , , | 3 reacties

Gerardia

GiardiaIk kan volksetymologie!

Misschien moet ik even uitleggen wat het is dat ik kan, want zo’n bekende term is het natuurlijk niet. In de taalkunde spreekt men van volksetymologie als gewone sprekers (het volk dus) een woord waarvan ze de klank niet zo goed kunnen plaatsen, zodanig veranderen dat het begrijpelijk gaat lijken.

Een klassiek voorbeeld is hangmat. Dat woord kwam van overzee als hamaca, maar door dat als hangmat uit te spreken, werd het voor Nederlandstaligen opeens een stuk logischer. Misschien dachten de sprekers ook wel echt dat ze ‘hangmat’ gehóórd hadden, dat weet ik niet zeker.

Een andere bekend geval van volksetymologie, nachtmerrie, laat zien dat het resultaat niet héél logisch hoeft te zijn – wat heeft een paard hier te zoeken? Het laat bovendien zien dat niet alleen uitheemse, maar ook oude inheemse woorden de volksetymologische behandeling kunnen krijgen: voorheen sprak men van nachtmare.

Terug naar mijn ontdekkinkje: ik blijk dus tot het volk te behoren. Een paar dagen geleden had een dierenasielmedewerkster het over een kattekwaal die ik niet kende, veroorzaakt door een parasiet met de welluidende naam gerardia. Ontdekt door een dokter Gerard of Gerhard, nam ik aan, en luisterde braaf wat ik als kersverse poezenpapa moest doen en laten.

Maar toen de dierenarts er vandaag ook over begon, viel me na een poosje op dat ze ‘gerardia’ vreemd uitsprak. Ook in stresssituaties – zieke kat Ă©n een woordprobleem – blijf ik de koelbloedige taaljournalist, dus ik heb haar gevraagd hoe die kwaal nou precies heet. ‘Chiardia’, hoorde ik. En nu ik het heb opgezocht, weet ik het precies: giardia.

Hetgeen natuurlijk de vraag oproept of ik misschien nog meer volksetymologieën in mijn hoofd heb. Jij?

Geplaatst in Nederlandse taal, taal algemeen | Tags: , | 2 reacties

Lekker woorden kijken

EurtaalEen historische kaart van Europa met bewegende woorden, dat lijkt me nou gaaf. En volgens mij valt die ook te maken. Als alle Nicoline van der Sijzen van Europa – de etymologen met populariseringstalent dus – de handen ineen slaan en wat Europees geld lospeuteren, kán het. Nou ja, na de crisis dan, maar dan moet je nu beginnen, want voor je het weet komt de volgende alweer.

De kennis voor zo’n project is er. Over de etymologie van het Nederlands bijvoorbeeld is enorm veel bekend. We weten behoorlijk goed welke woorden erfwoorden zijn en hoe die zich ontwikkeld hebben sinds het Proto-Germaans, vaak zelfs sinds het Proto-Indo-Europees. En van de meeste leenworden weten we heel aardig waar ze vandaan komen en wanneer ze in het Nederlands zijn verwelkomd (of beter gezegd: binnengelaten door sommigen onder het gesputter van anderen).

Ook de overige Germaanse talen zijn etymologisch grondig gedocumenteerd, en de Romaanse eveneens. Van de Slavische en Baltische familie vermoed ik sterk hetzelfde, en voor de Grieken moet dit een makkelijke klus zijn geweest, gezien hun ononderbroken literaire traditie van bijna 30 eeuwen. De Finnen (en hun naaste verwanten), de Hongaren en de Turken zijn zo trots op hun taal, die zullen er ook wel veel werk van gemaakt hebben. Kortom, er ligt een fonkelende schat aan etymologische kennis over zo’n beetje alle Europese talen te wachten – ik twijfel eigenlijk alleen over het Baskisch en, vooral, het Albanees. En het Romani, niet te vergeten.

Welnu. Al die info zet je in een database: leenverkeer, klankveranderingen, spellingveranderingen, betekenisveranderingen, en dat allemaal met een zo precies mogelijke datering. Vervolgens maak je een interface: een kaart van Europa, niet met landen, maar met taalgebieden. Die veranderen natuurlijk, dus terwijl de eeuwen over die kaart heen glijden, zijn die gebieden in beweging: ze krimpen in, dijen uit, schuiven op. En op die kaart zijn dus ook de woorden in beweging en in ontwikkeling: schick gaat van Duits naar Frans en wordt chic, cleen wordt in het Nederlands klein, tomate komt via het Spaans Europa binnen en verspreidt zich over een flink deel van het continent, enzovoort.

Wat je precies te zien krijgt, hangt af van wat je vraagt. Welke Roemeense woorden zijn aan het Frans ontleend? Welke Finse woorden zijn van Germaanse herkomst? Hoe hebbenalgebra, koets en boemerang zich over Europa verspreid? Hoe heette een ‘komkommer’ in 1900 in alle Europese talen? Welke woorden gaan allemaal terug op dezelfde Indo-Europese wortel als doen? De database weet het allemaal, en de interface maakt het inzichtelijk.

Ik zie een paar kleine praktische problemen. Moet je post-klassieke ontleningen aan het klassieke Grieks en Latijn op de kaart uit Griekenland en Rome laten komen? Lijkt me raar; liever een andere oplossing bedenken dus. Wat doe je met dialectwoorden? Niets waarschijnlijk – dat is voor een fijnmaziger vervolgproject. En er zullen leemtes zijn. Maar dat spreekt eigenlijk vanzelf.

Natuurlijk is het een heidens karwei. Maar het resultaat lijkt me elke zweetdruppel waard.

Geplaatst in Nederlandse taal, vreemde talen | Tags: , , | 2 reacties

Engels klonk niet wetenschappelijk genoeg

Ik twitterde een paar dagen geleden dat empathie een vertaling is van EinfĂŒhlungsvermögen. Mijn bronnen waren de Engelstalige Wikipedia en Wiktionary. Daar wordt toegelicht dat het woord in 1909 is bedacht door de Britse psycholoog Edward Titchener (zie foto). Meerdere mensen reageerden daar verbaasd op. ‘Ik zie daar nauwelijks een vertaling in’, schreef @stichtingNederl, en voor @appelboor was empathy compleet Grieks.

TitchenerEn toch is het zo. Ga even in Titcheners schoenen staan. Je wilt een vakterm gebruiken die door een Duitse filosoof is bedacht. Als Titchener Nederlander was geweest had hij er gewoon invoelingsvermogen of inlevingsvermogen van gemaakt. Maar die weg was voor hem afgesloten: een neologisme als – ik verzin maar wat raars – emotion-sharing of insteading skill was in het wetenschappelijke Engels van die dagen geen optie. Engels klonk gewoon niet wetenschappelijk genoeg; Latijn of Grieks moest het zijn. Denk ook aan Freuds Ich, Über-Ich en Es, die in het Engels volkomen gelatiniseerd zijn tot ego, superego en id. (David Bellos gaat hier uitgebreider op in in hoofdstuk 27 van Is that a fish in your ear? Hij beweert daar overigens, vermoedelijk ten onrechte, dat empathy pas in de jaren veertig door James Strachey zou zijn bedacht.)

Titchener heeft zich aan die voorkeur voor de klassieke talen geconformeerd. Het Duitse woorddeel ein heeft hij letterlijk vertaald met het Griekse en. Voor fĂŒhlung week hij uit naar het eveneens Griekse pathos, dat vooral ‘lijden’ betekent, maar ook ‘ervaring, ondervinding’ – dus bijna ‘het voelen’. Bovendien zat dit woorddeel ook al in sympathy en pathetic, waardoor het redelijk vertrouwd klonk. Het vermögen liet hij gewoon weg, en klaar was Kees: empathy (met een m, om redenen van fonologie en traditie).

Opmerkelijk is wel dat Titchener negeerde (of niet wist, maar dat lijkt me sterk) dat deze samenstelling in het Grieks zelf iets heel anders betekende. In het klassieke Grieks stond empatheia voor ‘hartstocht’, in het Nieuwgrieks voor zo iets als ‘vijandigheid, wrok’. Ik kan dan ook niet goed geloven, zoals de Online Etymology Dictionary beweert, dat het Duitse woord juist geschapen zou zijn op basis van het Grieks. Maar hoe het ook precies zit: voor de klassiek geschoolde geleerden van begin twintigste eeuw was het evident dat EinfĂŒhlungsvermögen en empathy/empatheia/empathie vertalingen van elkaar waren.

Geplaatst in Nederlandse taal, vreemde talen | Tags: , , , | Plaats een reactie

Geschiedenis van het Spaans, met de Franse slag

History of SpanishIk lees een boek liever met rode oortjes dan met een rode pen. Maar The story of Spanish van Jean-BenoĂźt Nadeau en Julie Barlow weet me niet te pakken; het schudt de vermaledijde betweter in mij wakker.

Hoofdstuk 1 begint nog prachtig: ‘Three millennia ago, when Rome was still a swamp and Athens was barely strong enough to take on Troy …’ De soepele stijl verraadt dat Nadeau en Barlow ervaren schrijvers zijn. Taaljournalisten, net als ik, maar dan uit  Canada, zij uit het Engelstalige deel, hij uit het Franstalige. Een paar jaar geleden publiceerden ze al The story of French. Nu hebben ze zich dus op het Spaans gestort, een taal die ze beiden gestudeerd hebben.

Maar al bij de vijfde alinea slaat de twijfel toe. Zou de naam ‘Spanje’ Ă©cht van het Punische woord voor ‘land van de konijnen’ afstammen, zoals de auteurs stellig beweren? Hmm … volgens andere bronnen is dat wel een verklaring, maar bepaald niet de enige. Een van de alternatieven, ‘land waar men ijzer smeedt’, eveneens uit het Punisch, lijkt me eigenlijk minstens zo aannemelijk. Tenslotte was Spanje in de Oudheid belangrijk om zijn ijzer; de konijnen waren bijzaak.

Nu snap ik ook wel dat je een populair boek niet moet bederven met eindeloze nuances en voorbehouden. Maar een goed gemikt ‘waarschijnlijk’ of ‘volgens sommigen’ op zijn tijd maakt aan de lezer in ieder geval duidelijk welke feiten van boter zijn en welke van graniet. Vreemd genoeg doen Nadeau en Barlow dat in latere hoofdstukken wĂ©l – soms zelfs bij beweringen die niet of nauwelijks omstreden zijn.

En dan zijn er de fouten, de echte pertinente fouten. Het Klassiek Latijn bevatte wel degelijk voorzetsels; het Vulgair Latijn ging die wat meer gebruiken, maar introduceerde ze zeker niet. De grammaticus Marcus Valerius Probus leefde in de eerste, niet de vierde eeuw. Het Engelse woord brother stamt niet af van het Latijnse frater – dat is zo’n rare fout dat we er maar van uit zullen gaan dat de eindredacteur die op zijn geweten heeft. Enzovoort (zie na de sterretjes, onderaan).

Naarmate de fouten zich opstapelen, erger ik me ook steeds meer aan de bloemrijke doch nietszeggende taalkundige kitsch. Zoals ‘Spanish became – at once – one of the most organized and systematic tongues in history and a finely honed tool used to express disorder and passion.’ Of deze: ‘Language shapes how we organize our thoughts, our lives, and our nations – in short, our world.’ Oppervlakkige rommel.

Verreweg het grootste deel van het boek heb ik nog vóór me. En ik weet zeker dat er veel interessants in staat, dat ik graag wil weten. Ik hou van Spaans, ik hou van taalgeschiedenis. Maar hoe graag ik ook zou willen gelóven wat Nadeau en Barlow te vertellen hebben, het lukt niet meer. Mijn vertrouwen is er in die eerste paar hoofdstukken vandoor gegaloppeerd, en ik zie het nog niet terugkomen.

***

Enzovoort:
Nog meer omstreden uitspraken die ze stellig formuleren, terwijl alternatieve verklaringen minstens even plausibel zijn:
* Het Proto-Indo-Europees werd in Turkije gesproken, 8000 jaar geleden.
* Het woord Bask komt uit het Keltisch.
* ‘Een taal is een dialect met een leger (…)’ is een uitspraak van de Fransman Hubert Lyautey uit 1912.

Zeker onjuist:
* Het Klassieke Latijn was ook voor de Romeinen zelf een moeilijke taal omdat het zes naamvallen en een vrije woordvolgorde had. (Dan zou Russisch moeilijk moeten zijn voor de Russen.)
* Toro ‘stier’ is aan het Keltisch ontleend. (Het komt van het Latijnse taurus, en ik vind nergens aanwijzingen dat dat uit het Keltisch zou komen. Het Grieks heeft tauros.)
* Het Gotische woord voor ‘metgezel’ is galhaiba. (Het is gahlaiba. Een detail, natuurlijk. Maar op zeker moment wordt elke onnauwkeurigheid irritant.)

Geplaatst in boeken e.d., vreemde talen | Tags: , , | Plaats een reactie

Taaltoerisme, één jaar later

TT2edrukTaaltoerisme, mijn boek over Europese talen, is een mislukking. En Taaltoerisme is een groot succes. Het is allebei waar – het een wat meer dan het ander. 

Laat ik positief beginnen. In kranten en in vakbladen, in Nederland en in BelgiĂ« zijn tientallen recensies verschenen, zonder uitzondering vriendelijk, lovend of uitgesproken juichend. Ik heb een stroom van leuke lezersmailtjes ontvangen, tot uit Zuid-Afrika, Thailand en Nieuw-Zeeland aan toe, en nog veel meer mondelinge complimenten. Een flink aantal lezers koopt een extra exemplaar om weg te geven – één vriendenstel zelfs zeven, en een vertaalbureau wilde er 25. EĂ©n lezeres was zo enthousiast dat ze het boek nu in het Frans aan het vertalen is. Coauteur Jenny Audring werkt aan een Duitse vertaling. Voor de Engelse markt wordt een uitgever gezocht, en één persoon-die-het-weten-kan heeft gezegd te verwachten dat dat zal lukken.

Dat is allemaal niet gering, vind ik, en de schrijver in mij is dan ook spinnend tevreden. Minder opgetogen is de ondernemer in mij, die vindt dat de schrijver scherper op de centen moet letten. Want al is er in december een tweede druk verschenen, in geld uitgedrukt hou ik aan alle werk net één of twee maandinkomens over. Dat is misschien niet verrassend, maar wel teleurstellend, want het betekent dat ik alleen in mijn vrije tijd aan boeken als dit kan werken. (Tenzij de vertalingen meer opleveren. Daar reken ik maar liever niet al te vast op.) Vandaar: toch ook een mislukking.

Maar nee, per saldo vindt de schrijver dat de zakenman zijn mond moet houden. Taaltoerisme heeft nog veel meer opgeleverd. IdeeĂ«n voor volgende boeken, om te beginnen. Het eerste is er zelfs al: de digitale reisgids Language Lover’s Guide to Europe. Er is een oeuvretje aan het ontstaan, ik heb mijn toon gevonden en ik heb honderden in taal geĂŻnteresseerde mensen leren kennen. Kortom, als dit een mislukking is, wil ik wel vaker mislukken. En dat Taaltoerisme weinig bijdraagt aan mijn broodwinning, ach ja … Wie kan er nu van zijn boeken leven? Zelfs Harry Mulisch niet meer.

***

Ik schreef ook al eerder blogs over Taaltoerisme, toen nog in wording: hier, hier, hier en hier. 

Geplaatst in boeken e.d. | Tags: , | 2 reacties

Een cursus Euraziatisch voor Afrikanen

Het is goed dat journalisten over wetenschap schrijven. Kun je tenminste nog eens lachen. Zeker als ze over taalkunde schrijven.

hombres-edad-piedraEergisteren deed bioloog Mark Pagel een taalkundige bewering die hem – als hij gelijk heeft – beroemd kan maken. Hij meent 23 woorden te hebben gevonden die we zó vaak in de mond nemen dat ze extreem stabiel zijn. Ze veranderen wel geleidelijk van vorm, zoals alle woorden, maar ze worden niet gemakkelijk vervangen.

Begrippen als ik, wat, moeder en man lijken dan ook in heel veel talen op elkaar. Niet alleen in de Indo-Europese talen, maar ook in nog zes andere families: de Fins-Oegrische (zoals Fins en Hongaars), de Altaïsche (zoals Turks en Mongools), de Dravidische (in Zuid-India), en in nog een flink aantal talen in de Kaukasus en Arctica. Al die talen moeten wel een gezamenlijke voorouder hebben, redeneert Pagel, en hij meent dat die een kleine 15.000 jaar geleden werd gesproken.

Heeft hij gelijk? Geen idee. Ik ben zelf ook journalist, dus ik heb het oorspronkelijke stuk (in PNAS) niet gelezen, en ik zou sowieso de methodologie niet kunnen beoordelen.  Pagels stelling lijkt me vermetel en spannend, maar niet bij voorbaat absurd. Een ‘Euraziatische’ superfamilie is eerder voorgesteld, maar tot dusverre zijn de meeste deskundigen verre van overtuigd. Afwachten maar hoe het verdergaat.

Intussen valt er genoeg plezier te beleven aan hoe Pagels conclusies in sommige nieuwsmedia verschijnen. Onder de kop ‘Onze voorouders uit de IJstijd gebruikten ongeveer dezelfde woorden als wij’ schrijft Scientias.nl bijvoorbeeld: ‘Het onderzoek suggereert dat er ongeveer 15.000 jaar geleden wereldwijd één taal gesproken werd’. Welke crypto-Esperantist heeft dĂĄt verzonnen?! De Aborigines leven al meer dan 40.000 jaar in AustraliĂ«, en de Afrikanen nog langer in Afrika. Zijn die allemaal speciaal overgekomen voor een zomercursus Oud-Euraziatisch? En trouwens, hoezo ‘ongeveer dezelfde woorden’? Die 23 misschien, ja, maar al die duizenden andere dus niet. Ik vrees dat ik mijn indruk van Scientias.nl ernstig moet bijstellen. En trouwens ook die van de Deense wetenschapssite Videnskab.dk, die even hard miskleunt met de kop ‘Taalonderzoekers vinden ’s werelds oudste woorden’.

Mijn favoriete tijdschrift New Scientist heeft een nieuwsbericht dat de feiten goed lijkt weer te geven, maar plaatst daar een kaartje bij dat ritselt van de onnauwkeurigheden. Griekenland, Cyprus en MoldaviĂ« behoren opeens op raadselachtige wijze niet meer tot het Indo-Europese taalgebied, maar Baskenland en Estland zijn juist toegetreden. Azerbeidzjan, Sri Lanka, Noord-Canada en Groenland staan wit op het kaartje, terwijl men daar toch ook ‘Euraziatische’ talen spreekt. Details misschien, maar toch wel vrij omvangrijke details, en niet bevorderlijk voor mijn vertrouwen in de infographics van New Scientist.

De weergave van de 23 woorden gaat ook niet altijd goed. Sowieso lees ik nergens dat de Engelse en Nederlandse woorden lang niet allemaal voortgekomen zijn uit die oude Euraziatische woorden. Hand, jullie en geven zeker niet (in tegenstelling tot main, vous en donner, trouwens); over de andere twintig heb ik te weinig informatie. Maar ook de vertaling uit het Engels leidt tot vreemde formuleringen. Zo schrijft Nu.nl: ‘Het gaat in sommige gevallen om verouderde woorden zoals het Engelse thou (gij in het Nederlands).’ Daar staat niets onwaars, maar verwarrend is het wel, want gij mag dan ouderwets klinken, het heeft niets met thou te maken, laat staan met Euraziatisch. De Friese, Groningse en Limburgse woorden voor thou oftewel ‘jij’ (namelijk do, doe en doe) hadden de zaak meer verhelderd dan gij, want die behoren, als Pagel gelijk heeft, wel tot het groepje van 15.000 jaar oude woorden.

Een Spaanstalige weergave van Pagels onderzoek maakt het bonter. Hier wordt het woord bark vertaald als ladrido (‘geblaf’). Dat is soms een correcte vertaling van bark, maar ditmaal ging het toch echt om ‘boomschors’. Datzelfde medium illustreerde zijn verhaal trouwens met het plaatje hierboven. U kunt het vergroten door erop te klikken – maar een aanrader is dat niet. Brr.

Ik besef het: ik heb gemakkelijk bloggen. Onder tijdsdruk een nieuwsbericht schrijven over een specialistisch onderwerp, zoals journalisten afgelopen dinsdag moesten doen, dat zijn nu eenmaal de ideale omstandigheden om enorm te blunderen. Ook voor mij: als ik alle kopij zou teruglezen die ik in mijn persbureaudagen heb geschreven, zou ik vast af en toe blozen. En niet alle nieuwsberichten die eergisteren over dit onderwerp zijn verschenen waren slecht, zeker niet. Maar van media als Scientias.nl en Videnskab.dk verwacht ik toch echt dat ze hun naam wat meer eer aandoen.

En dat geldt al helemaal voor de website van Science, die het in een fotobijschrift bestaat om te suggereren dat de taalverscheidenheid in Europa en AziĂ« wellicht ontstaan is door … de toren van Babel. Nu begint het lachen me toch echt te vergaan.

Update: Science heeft het plaatje en dat bijschrift weggehaald.

Geplaatst in vreemde talen | Tags: , , | 1 reactie

Onze Taalfout

Het Nederlandse naamvalssysteem is ongeveer zo actueel en relevant als het Indisch koloniaal recht of dat klassieke kookboek, ‘Heerlycke recepten met dodovleesch en -eiers’. De naamvallen zijn (buiten de voornaamwoorden) niet alleen in onbruik geraakt; wat er nog van over is, wordt niet meer begrepen.

Ter illustratie, om niet te zeggen ten bewijze, wil ik hier het net verschenen meinummer van Onze Taal ter tafel brengen (of ten tonele voeren). Jacco Snoeijer schrijft daarin dat deurwaarders ‘een warme band [hebben] met het multifunctionele voorzetsel te, bij voorkeur te gebruiken in de tweede naamval. Een willekeurige greep levert op: te eniger tijd, te gelegener tijd, ten verzoeke, ten titel (…).’

Leuk gezegd, en sowieso een leuk stuk trouwens. Alleen, er is hier geen tweede naamval te bekennen. Het voorzetsel te ‘regeert’ namelijk, zoals dat heet, de derde naamval. De r’s van eniger en gelegener geven daarover geen uitsluitsel, maar de n van ten wel. Als verzoek in de tweede naamval stond, zou er bovendien verzoeks staan: vergelijk ten huize van (derde) met vrouw des huizes (tweede). Sinds ik een joviale verstandhouding met de Duitse naamvallen heb ontwikkeld, let ik er in oude Nederlandse teksten ook op – vandaar dat ik deze esoterische kennis paraat heb.

Snoeijers artikel gaat niet over naamvallen, dus het is niet zo gek dat hij hier even mistast. Wat me wel verrast, is dat het foutje zich langs de eindredacteurs en meelezers van Onze Taal heeft weten te wurmen. Ik ken die mensen, en ik weet dat het geduchte vaklui zijn die elke letter keuren, elk woord op de tong proeven en elke zin tegen het licht houden, één oog dichtgeknepen, het voorhoofd gefronst in concentratie. Hun inspanningen hebben me al voor heel wat missers behoed. Spelling, grammatica, interpunctie, verhaalopbouw, betekenisnuances en meer: de subtiliteiten van onze taal hebben voor de mensen van Onze Taal weinig geheimen. Maar het naamvalssysteem is zelfs hun te machtig.

Lang geleden viel God me tegen, onlangs reed president Obama een scheve schaats en nu blijkt Onze Taal feilbaar. Ouder worden is kwijtraken.

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , | 6 reacties

Ook een slecht lied verdient een goede criticus

Dat het k-lied te slecht geschreven was om de tand des tijds te doorstaan, was meteen al duidelijk – al had ik ook weer niet verwacht dat het zó’n kort leven beschoren zou zijn. Maar bijna even tenenkrommend als het lied zelf was de manier waarop taaladviseur Wim DaniĂ«ls gisteravond bij Pauw en Witteman de zwaktes van de tekst wilde aantonen.

Hij begon – uiteraard – met de zin die binnen luttele uren landelijke beruchtheid verwierf, ‘de dag die je wist dat zou komen’. “Daar zitten acht fouten in”, aldus DaniĂ«ls. Want die, legde hij uit, moest waarvan zijn en achter dat moest nog hij. Dat is samen kennelijk acht; de andere zes fouten noemde hij althans niet.

Maar was die zin wel zo fout? DaniĂ«ls: “Een leerling op de lagere school zal zeggen: ‘Meester, dit moet niet zo.’” Tja, zelf dacht ik op de lagere school dat ‘Onze Vader die in de hemel zijt’ fout was, want dat moest ‘in de hemel is’ zijn. Maar het k-lied was geen kinderlied, had dat althans niet moeten zijn, dus misschien moeten we deze kwesties niet aan basisscholieren overlaten.

Iemand als ‘taalprof’ Peter-Arno Coppen lijkt me een betere beoordelaar, en die zet hier uiteen hoe de zin in elkaar zit en waarom de zinsconstructie “zich op de rand van de taal bevindt”. Vervolgens laat hij zien dat de constructie in ieder geval sinds de achttiende eeuw wel vaker is gebruikt, en niet door haastige tekstdichters onder kennelijke invloed van het Engels, maar door literatoren van naam en faam.

Was de zin daarmee gered? Dat nou ook weer niet – die was reddeloos, dat stond buiten kijf. Maar om een heel andere reden: in dit lied vol simpel opgebouwde zinnen deed deze ene veel te ‘literair’ aan. Wat hier stond, was veel schandaliger en onvergeeflijker dan een taalfout: het was niet mooi.

En dat geldt voor bijna alle kritiek die DaniĂ«ls gisteren leverde. Hij vond dat ‘tot het waar geworden is’ zou moeten zijn: ‘tot het waarheid geworden is’, of ‘werkelijkheid’. Ook weer een smaakkwestie, en waarschijnlijk zou ‘tot het uitgekomen is’ een stuk fraaier zijn dan DaniĂ«ls’ suggesties. Op veel andere punten kon ik me in DaniĂ«ls’ smaak wĂ©l vinden – het was tenslotte een ondermaats lied dat terecht, net als ondermaatse vis, inmiddels teruggegooid lijkt te zijn, en dan is het niet moeilijk om alle plekken aan te wijzen waar het niet aan de maat is: rondom.

Het ergste was dan ook niet dat DaniĂ«ls er een paar keer naast zat; het ergste was dat hij van begin tot eind (en ook weer, als een onsportieve winnaar, in zijn reactie op de terugtrekkingsbrief van componist Ewbank) op het verkeerde aambeeld hamerde, namelijk dat van de ‘taalfouten’. Was het soms een goede tekst geweest als de schrijvers correct gespeld hadden, louter onverhaspelde uitdrukkingen gebruikt en niets uit het Engels overgenomen? Welnee, de lage kwaliteit zat ‘m in heel andere dingen: gebrek aan originaliteit, aan samenhang of zelfs maar aan begrijpelijkheid.

Juist de prachtigste liedteksten daarentegen overtreden onbekommerd de taalregels. In het mooiste Nederlandse lied van de laatste tien jaar staan zinnen als ‘Kan iets frisser dan het fris is’ en ‘Zie de vogels naar hun nesten’, en het lied is niet desondanks mooi, het is mede daardóór mooi. En ik hoop van harte voor Wim DaniĂ«ls dat hij daarvan kan meegenieten.

Maar gerust ben ik er niet gerust op. Want zelfs over de onschuldigste zinnen in het k-lied had hij wat te mekkeren. Bijvoorbeeld over ‘Ieder mens heeft een taak in dit leven’. Dat klopt namelijk niet, moet u weten, want psycholoog Erik Erikson heeft onze levenstaken geteld en het zijn er een stuk of acht. En de zin ‘Iedere stap die je zette die leidde naar hier’ vond evenmin genade: “Willem-Alexander heeft ook stappen gezet die niet direct leidden tot waar hij nu staat”. Zou DaniĂ«ls het concept ‘liedtekst’ wel kennen? Snappen dat dat een literair genre is, met zekere vrijheden? Of zou hij misschien denken dat Gers Pardoel Ă©cht op zijn fiets naar de maan wil? En dat Henny Vrienten toen hij 32 jaar werd echt sinds een dag of twee vlinders in zijn hoofd had?

Kortom: zoals ik Nederland een beter lied gun, zo had ik dit slechte lied een betere criticus gegund. Niet het type van de leraar Nederlands die er een rode pen per week doorheen jaagt, maar zo een waardoor je van literatuur gaat houden.

Geplaatst in boeken e.d. | Tags: , , | 9 reacties

Krant, app, douchegordijn

shower-curtain_eggersAls schrijvend journalist ben ik natuurlijk gewoon begonnen op papier. In 1988 verschenen in een dagblad mijn eerste stukken, geschreven op een nét aangeschafte computer. In 1999 volgde mijn eerste boek, Nieuwe tongen. Ik wist niet beter of ik zou me ook de rest van mijn werkzame leven wijden aan drukwerk.

Toch bouwde ik al drie jaar later mijn eerste website; aanvankelijk niet journalistiek overigens. Het zou nog tot 2007 duren voor ik ging bloggen, en ook dat was in het begin spielerei.

Papier, computerscherm – what’s next? Telefoon en tablet natuurlijk. Al mijn taalboeken zijn inmiddels digitaal beschikbaar, en sinds afgelopen weekend is mijn eerste app op de markt. Een reisgids is het, met 450 bestemmingen die allemaal de moeite waard zijn omdat er op taalgebied iets bijzonders te bekijken of te beleven is. Hij heet Language Lover’s Guide to Europe en kost bijna niks. Apps moeten goedkoop, vinden we namelijk – eigenlijk gratis.

Wat is de volgende stap? Moderner kan op dit moment niet (of kan ik in ieder geval niet), maar ik had laatst wel een ånder idee. Ik heb ooit een (dit) sonnet geschreven over de weldadige uitwerking van  douchen op onze geest. Bij Plint, bekend van kussensloopgedichten, raamgedichten en meer van dat soort papierloze poëzie, heb ik geopperd om het gedicht op een douchegordijn af te drukken en in het assortiment op te nemen. Helaas zijn ze niet op het voorstel ingegaan.

Van de zomer ga ik een cursus getiteld Nieuwe vormen volgen. “Wij zullen nieuwe verschijningsvormen van literatuur bekijken en er eigen werk aan toevoegen”, kondigt docent Anja Sicking aan. Ik ben benieuwd. Naar wat ze te vertellen heeft, maar ook waar dat dan weer toe gaat leiden. Voordragen op YouTube? Podcasts? Graffiti? Guerrillabloggen? Literair tatoueren?

Nu ik erover nadenk: ik heb ook nog een aantal jaren door het land gereisd om mijn teksten te zingen, in zaaltjes voor publiek. En daar staan dan weer filmpjes van op YouTube. Geen journalistiek natuurlijk, maar wel weer een ander medium. En ik heb lezingen gegeven over Taaltoerisme, zoals binnenkort weer in Amersfoort. Ik ben de multimediaman zelve, zeg. Nooit beseft. En dat terwijl ik toch nog steeds erg graag van papier lees.

Geplaatst in boeken e.d. | Tags: , | 1 reactie