Voor het eerst in 35 jaar maakte ik gisteren deel uit van een klasje dat zijn allereerste les kreeg in een vreemde taal. Ik ben in de tussentijd nog wel eens aan een nieuwe taal begonnen, vrij vaak zelfs, maar dat was dan altijd in mijn eentje, in een talenpracticum of met een zelfstudieboek.
Terug in de schoolbanken dus, met zeven medeleerlingen, één docent en, voor deze ene keer, een tolk. De docent spreekt namelijk geen Nederlands, al schrijft ze het gelukkig wel. Ze is doof (kan niet horen) en zelfs Doof (lid van de Dovencultuur), en geeft les in Nederlandse Gebarentaal. De meeste deelnemers daarentegen zijn volslagen beginners in NGT. Dat geldt ook voor mij; ik heb wel het een en ander erover gelezen, maar ja, over schaatsen heb ik nog veel meer gelezen en toch kom ik geen meter vooruit op die enge ijzers.
Ik zal daarom, agenda en weder dienende, op dit blog verslag doen van mijn ontdekkingstocht naar de stilste taal van Nederland. (Van Néderland inderdaad, want Vlaanderen heeft zijn eigen gebarentaal. En Suriname? Geen idee.) Ik kan dus alleen vertellen wat ik begrepen heb. Het kan best zijn dat sommige dingen genuanceerder liggen dan ik nu als beginner denk, en het is ook bepaald niet uitgesloten dat ik hier en daar iets verkeerd begrepen heb. Laat het me gerust weten!
Intonatie
Ten aanval dan. Wat is me gisteren opgevallen? Om te beginnen: het belang van de mond. Er blijken allerlei woorden te zijn, zoals naam en koffie, waarbij je tijdens het gebaar bovendien het woord uitspreekt, zij het nog veel zachter dan fluisterend â meer een soort smakken. Gebaarders, zelfs degenen die helemaal geen gesproken taal gebruiken, moeten dus ook een flink aantal woorden uit het Nederlands kennen, niet alleen het geschreven woordbeeld, maar ook het mondgevoel. Dat had ik niet gedacht.
Behalve de mond doet ook de rest van het hoofd ertoe, want de expressie is onverbrekelijk onderdeel van het gebaren. Een vragende blik zet als het ware een vraagteken achter de zin; een verbaasde of gegeneerde blik heeft weer zo zijn eigen effect. Ik vermoed dat al die gezichtsuitdrukkingen het beste te vergelijken zijn met intonatie in gesproken taal.
Verrassend leuk is een deel van de woordenschat. Ik verwachtte eigenlijk dat gebaren zich, net als Chinese karakters, in de loop van de tijd âlosgezongenâ zouden hebben van hun betekenis. Maar in mijn eerste setje woorden zitten er een flink stel die duidelijk iets uitbeelden â een soort fysieke pictogrammen en ideogrammen. Bij het woord voor âkoffieâ ben je duidelijk bonen aan het malen (lekker retro, net als het woord ophangen voor âeen telefoongesprek beĂ«indigenâ), bij âtheeâ dompel je een zakje in een kop, bij âdrinkenâ zet je die kop aan je lippen. Dat luistert trouwens nauw. Die âkopâ vorm je met vier parallel gekromde vingers, niet met, ik noem maar wat, één vinger door het oor. Logisch ook, want in gesproken taal kun je drinken ook niet zomaar uitspreken als âdlinkenâ of âdrinkinâ, ook al zou de begrijpelijkheid niet meteen in het gedrang komen. Met âdringenâ en âdronkenâ zou dat trouwens wĂ©l gebeuren, en zo zullen er ook wel gebaren zijn, neem ik aan, die op âdrinkenâ lijken.
Tweevoud
Dan een paar kleine grammaticale observaties. De standaardwoordvolgorde is SOV: eerst het onderwerp, dan het lijdend voorwerp, het werkwoord laatst. Dus âik koffie drinkâ. Maar bij persoonlijke voornaamwoorden verandert dat: het is âik roep jouâ, niet âik jou roepâ. Overigens worden werkwoorden niet vervoegd voor persoon en getal, dus in plaats van âroepâ zou ik ook âroepenâ kunnen schrijven, maar dan klinkt het meteen als een inboorlingentaal in een oude Kuifje-strip, dus dat doe ik niet.
In de voornaamwoorden heb ik nog geen vormverschillen kunnen ontdekken tussen de onderwerpsvorm (ik), de voorwerpsvorm (mij) en het bezittelijke âmijnâ. Maar een interessantere ontdekking vond ik dat er onder Nederlanders een taal voorkomt waarin het tweevoud (voor liefhebbers: de dualis) springlevend is, althans bij de voornaamwoorden. Voor âwij/ons tweeĂ«nâ, âjullie tweeĂ«nâ en âzij/hun tweeĂ«nâ is het gebaar anders dan voor grotere groepen. Wijzen met twee vingers, in V-vorm: simpel doch effectief.
Ten slotte: het is nogal ongewoon dat in een gezelschap van tien mensen een uur lang niemand (hardop) spreekt. Ik betrapte me gisteren erop dat ik bij de kennismakingsoefeningen â âhoe heet jeâ, âhalloâ, dat soort dingen â inwendig ging meepraten. Alleen, dat was niet in het Nederlands of Limburgs, maar in de taal die ik kennelijk het meest associeer met een schoolse manier van leren: Frans.
âBonjour, monsieur Dupont. Ăa va?â Zo klonk de soundtrack van mijn eerste lesje NGT.