Een meedenk

kringloopwinkel2Sommige samengestelde zelfstandige naamwoorden worden vrijwel standaard ‘onthoofd’: juist het gedeelte waar het eigenlijk om gaat, valt weg. Dat is raar, want bij de meeste woorden zouden we dat niet in ons hoofd halen. Als je handdoek wilt inkorten, kun je eventueel doek zeggen, maar zeker niet hand. Een damhert is iets heel anders dan een dam. Het ‘hoofd’ van een woord geeft aan wat iets ‘hoofdzakelijk’ is. Het ontbreken van een hoofd bemoeilijkt de herkenning nogal, bij mensen, maar ook bij woorden.

Een uitzonderingsgroep zijn namen die eindigen op een beschrijvend woord, zoals Rabobank en Slotervaartziekenhuis: je kunt de bus pakken naar de bank of het ziekenhuis of naar de Rabo of het Slotervaart. Het zou me niet verbazen als biologen przewalskipaarden in de wandeling przewalski’s noemen.

Maar het rare is dat er minstens twee, en waarschijnlijk veel meer, doodgewone samengestelde zelfstandige naamwoorden zijn waarbij dat ook gebeurt: een woningbouwvereniging wordt door haar huurders vaak de woningbouw genoemd, en een kringloopwinkel heet vaker wel dan niet de kringloop.

Het zal aan mijn verkouden hoofd van dit moment liggen, maar ik kan niet meer voorbeelden bedenken. Wie wel? Ik hoor ze graag! Als ik uitgesnotterd ben, wil ik erover verder denken.

Voor alle duidelijkheid: het gaat hier dus echt over zelfstandige naamwoorden die uit twee of meer delen bestaan en waarvan het laatste vaak weggelaten wordt. De twee voorbeelden van zojuist bestaan allebei helemaal uit zelfstandige naamwoorden, maar misschien is dat niet altijd zo: als we een meezingconcert of een meedenkblogje zouden afkorten tot een meezing of een meedenk, zouden dat ook zulke gevallen zijn. Een andere subcategorie misschien, maar dezelfde categorie.

*****

Aanvulling, naar aanleiding van enkele reacties: Woorden als auto(mobiel) en poli(kliniek) laat ik liever buiten beschouwing. Het zijn wel samenstellingen, maar geen samenstellingen van Nederlandse woorden. Strikt genomen hebben we ze misschien wel van hun hoofd beroofd, maar dat weggelaten rechterwoorddeel fungeerde in het Nederlands niet of nauwelijks als zodanig. Dat automobiel auto kon worden, is niet vreemder dan dat informatie (wat geen samenstelling is) info kon worden.

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , | 21 reacties

Zullen we een boek maken, jij en ik?

Russisch en Armeens

Bordje in het Armeens en Russisch

Goed nieuws voor degenen die Taaltoerisme met plezier hebben gelezen: er komt een vervolg. Niet echt een deel 2, maar toch wel een soort van zusje of broertje.

En nog beter nieuws: je kunt ‘meereizen’, nu meteen al. Er staan zes arrangementen tot je beschikking, variĂ«rend van een low-budgetvariant tot een luxueus pakket met alles erop en eraan. Open deze pdf voor een overzichtje: Elders_praat_anders.

Als deelnemer – ik hou de toeristische beeldspraak er maar even in – ontvang je de komende tijd alle hoofdstukken nog voor het boek verschijnt Ă©n kun je daarop reageren. Dus: suggesties doen, vragen stellen, fouten corrigeren, kritiek of complimenten geven, enzovoort. (Je mag natuurlijk ook gewoon achteroverleunen.) Als reisleider blijf ik eindverantwoordelijk en zal ik het niet altijd iedereen naar de zin kunnen maken. Maar een goede sfeer in de groep is me wel wat waard!

Nog even over het boek zelf. Ik vertrek vanuit dezelfde nieuwsgierigheid die ook aan Taaltoerisme ten grondslag lag, ik zal de bijzondere uitstapjes weer niet schuwen en ik hoop het allemaal zo helder mogelijk toe te lichten. Wat we onderweg precies aantreffen, weet ik natuurlijk nog niet, maar er zal vast wel weer allerlei historisch, politieks, maatschappelijks, etymologisch, grammaticaals en fonologisch voorbijkomen. Wens me maar geen goede reis – stap liever in!

.

Geplaatst in boeken e.d. | Tags: , | 4 reacties

Een blogpoost over dit blog

Dit blog is een drammer.

HomeAls taaljournalist.wordpress.com geen nieuwe kopij krijgt, gaat ie mokken. Dat ik in gebreke blijf (alsof ik niets anders te doen heb!). Dat mijn abonnees tekortkomen (alsof ik harde beloftes heb gedaan, en jullie me daaraan komen houden!). Dat de bezoekersaantallen teruglopen (alsof dat iets wezenlijks betekent!). Hij dreint en zeurt en zanikt, hij trekt aan mijn mouw, hij lijkt welhaast te vergelen en te verpulveren, net zolang tot ik weer een stukje poostÂč. Meestal doe ik dat trouwens al veel eerder, om het gepiep voor te zijn. Én natuurlijk omdat ik graag blog. Dat ook.

Dit blog is een imperialist.

Want zijn gejengel gaat ten koste van zijn oudere conculega, mijn ‘eigenlijke’ website. Eerst heeft ie het al voor elkaar gekregen dat de url taaljournalist.nl naar hĂ©m, het blog, verwees, en niet langer naar die site. En vanmorgen ontdekte ik dat de site (die ik moet bijwerken in html, en dat kan het handigste op één bepaalde computer, en… enfin, gedoe) flink achterliep. Hoe flink? Het was daar nog prachtig weer, laat ik het daarop houden. En op één of twee pagina’s lag de sneeuw van vorig jaar zelfs nog. (Het is nu grotendeels bijgewerkt hoor.)

Die achterstand komt puur doordat de website veel minder op mijn gemoed werkt. Er staan geen datums bij de teksten, hij geeft geen commentaren van lezers door en ik kan minder makkelijk en snel zien hoeveel bezoek ik er heb gehad. Hij is welbeschouwd gewoon te bescheiden.

Hoewel ik bescheidenheid in het algemeen waardeer, moest ik daar in dit geval misschien toch maar eens conclusies uit gaan trekken. Misschien moest ik die ouderwetse html-site maar eens opdoeken en de informatie die erop staat in mijn blog integreren. Binnenkort, als ik tijd heb. Of realistischer: in de kerstvakantie, als ik echt tijd heb, misschien. Want drammerige imperialist of niet, dit blog is toch mijn favoriete eigen plek op internet geworden.

Dit blog is een woning.

****

Âč ‘Post’, met één o? Kom op zeg, ik gooi het niet in een brievenbus.

Geplaatst in zonder categorie | Tags: , | 1 reactie

De stilste taal van Nederland (5)

route 66 logoTalen hebben soms merkwaardige manieren om getallen uit te spreken. Voor creaties als half-honderd (Bretons voor 50), vier-twintig-tien-negen (Frans voor 99) en eenvantwintig (Latijn voor 19) draaien ze hun hand niet om.

De Nederlandse Gebarentaal blijkt op dit punt een bijzonderheid te hebben waarvoor bij mijn weten geen enkele gesproken taalÂč een equivalent heeft. Van 22 tot en met 99 zitten namelijk de veelvouden van elf wezenlijk anders in elkaar dan de andere getallen tussen twintig en honderd.

Het telwoord voor 21, of beter gezegd het telgebaar voor 21, bestaat uit het gebaar voor één gevolgd door dat voor twintig. (NGT volgt dus de ietwat exotische Nederlandse volgorde.) Ook dat voor 22 begint met het twee-gebaar, maar de hand glijdt vervolgens niet naar het twintig-gebaar. In plaats daarvan behoudt de hand dezelfde vorm en beweegt een paar keer heen en weer. De andere veelvouden van elf volgen hetzelfde patroon: het tiental (20, 30, enzovoort) wordt niet met het gewone gebaar uitgedrukt, maar weergegeven door ‘schudden met de eenheid’ (2, 3, enzovoort). De beste weergave van het NGT-rijtje 21 tot 23 in gesproken Nederlands is daarom waarschijnlijk: eenentwintig, tweetwee, drieĂ«ntwintig.

Overigens ‘voelt’ deze verrassing ook weer niet onlogisch. Bij de meeste getallen van 21 tot 98 heb je ‘halverwege’, dat wil zeggen tussen het gebaar voor de eenheid en het gebaar voor het tiental, tijd om je handvorm aan te passen: sommige vingers strekken, andere vingers krommen. Bij de elfvouden is dat niet nodig, want je houdt precies dezelfde vingers gestrekt. Dus waarom zou je dan die glijbeweging maken? Natuurlijk, voor de analogie met de overige getallen, dat wel, en ik durf te wedden dat die elfvouden zich ooit, in NGT’s begindagen, keurig aan het standaardpatroon hebben gehouden. Maar net als onze spreekmond zijn ook onze spreekhanden liever lui dan moe. En zo heeft zich een efficiĂ«nter gebaar ontwikkeld.

HĂš, was er nou maar een etymologisch NGT-woordenboek, dan kon ik nakijken of mijn vermoeden klopt. Maar ja.

*****

Âč Ik bedoel: geen enkele gesproken natĂșĂșrlijke taal. Kunsttalen zijn uiteraard zo vreemd als hun ontwerper. Als iemand me vertelt dat in Klingon alle woorden voor priemgetallen met een p moeten beginnen, geloof ik het meteen.

Geplaatst in Nederlandse Gebarentaal | Tags: , , | Plaats een reactie

De stilste taal van Nederland (4)

Ik schrijf gewoon twee korte blogjes, in plaats van één lang. Dat Pascal daar niet op gekomen is!

Een van mijn medecursisten hoorde ik van de week zeggen dat “zo’n gebarentaal toch minder mogelijkheden heeft dan een gesproken taal”. Ik denk dan meteen dat dat niet klopt, om twee redenen.

Eén reden is dat ons gezicht, onze armen en ons bovenlichaam minstens zo veel verschillende dingen kunnen doen als onze tong, ons strottehoofd en onze lippen. Dus als onze spraakorganen een systeem kunnen vormen dat Cicero, Hitler en Obama in staat heeft gesteld redevoeringen te houden, waarom zouden onze gebaarorganen dat dan niet kunnen? Eigenlijk bieden 26 lettertekens heel wat minder mogelijkheden, zou je denken, en zelfs daar weten een Ovidius, een Shakespeare en een Kluun zich toch heel aardig mee te behelpen.

De andere reden waarom ik betwijfel of mijn medecursist gelijk heeft, is eigenlijk een slechte. In de taalkunde heerst in sterke mate de ideologie dat alle talen gelijkwaardig zijn. Daar is zowel filosofisch als empirisch veel voor te zeggen, en zelf neig ik er ook toe om het ermee eens te zijn (mede door sociale druk natuurlijk). Maar het gevaar is dat zo’n uitgangspunt het zicht ontneemt op de zwarte zwanen en de witte raven: de afwijkingen, de uitzonderingen.

Hoe dan ook, talen zíjn in het algemeen inderdaad veel subtieler en rijker dan buitenstaanders denken. Het Chinees heeft bijvoorbeeld geen verleden of toekomende tijd, waardoor het vanuit ons perspectief lijkt alsof die taal op het gebied van tijd armoedig is. Maar vaak doet tijd er ook niet toe, en als het er wel toe doet, kun je een bepaling als ‘gisteren’, ‘vroeger’, ‘te zijner tijd’ of ‘nu meteen’ toevoegen. Dat doet het Chinees dan ook, waarschijnlijk vaker dan het Nederlands. En het NGT doet dat ook. Van hun kant zullen NGT-gebruikers het Nederlands misschien armoedig vinden omdat we in die taal niet twee hoofdpersonen van een verhaal in de ruimte kunnen ‘neerzetten’. We moeten dus veel vaker expliciet zeggen over wie we het hebben. En dat doen we dus ook, zonder dat wij dat als lastig, raar of armoedig ervaren.

Had mijn medecursist dus ongelijk? Ik dacht op dat moment, en ik vermoed nog steeds sterk, van wel. Maar vervolgens kwam ik een artikel uit de Volkskrant tegen van bijna tien jaar geleden dat me toch te denken gaf. Taalkundige Ingeborg van Gijn vertelde daarin dat NGT niet erg geschikt is om ingewikkelde zinnen te formuleren, zoals ‘Ik wil dat zij zegt dat Jan doet alsof Piet een cadeau aan mij geeft’. Het gebruik van ondergeschikte bijzinnen is maar zeer beperkt mogelijk, concludeerde Van Gijn in haar proefschrift.

Nu zijn er ook gesproken talen waar dat voor lijkt te gelden. Volgens sommigen is er zelfs een taal waarin dat helemaal niet kan, het PirahĂŁ. Maar als ik deze informatie aan mijn medecursist vertel, zal ze het denk ik toch als bewijs van haar gelijk opvatten. En wat zeg ik dan?

Eigenlijk was het vorige zinnetje bedoeld als radeloze uitsmijter van deze blogpost, maar ik stuit nu prompt op een korte uiteenzetting over dit onderwerp (op een sowieso erg leuk weblog) door de taalkundige en moedertaalgebaarder Joni Oyserman. Lees het zelf even. Het is overigens niet heel gemakkelijk, dus een beetje radeloos ben ik nog steeds. Maar ik begrijp in ieder geval dat zij weet hoe je in NGT wel degelijk zulke complexe uitingen kunt formuleren.

Oef.

Geplaatst in Nederlandse Gebarentaal | Tags: , | Plaats een reactie

De stilste taal van Nederland (3)

Ik heb niet zo veel tijd, dus dit zal wel een wat langer stukje worden (om met Blaise Pascal  te schrijven – niet dat die blogde).

Als ik een taal leer, ben ik gewend om datgene wat ik niet weet of snap op te zoeken in een woordenboek of grammatica. Die mogelijkheden blijken bij Nederlandse Gebarentaal beperkter dan ik gewend ben. Als ik wil weten of het Pasjtoe naamvallen heeft (en wie wil dat niet zo af en toe) en hoe je een ‘kano’ noemt in het Maori, dan heb ik dat zó gevonden.

Maar op internet kun je niet zomaar vertalingen vinden van Nederlandse woorden in NGT-gebaren. De leuke en goed bruikbare app (iSignNGT) die je gratis kunt downloaden, is beperkt van omvang. Nu is het natuurlijk niet onredelijk dat je voor informatie moet betalen, en Van Dale biedt die mogelijkheid ook inderdaad: je kunt een papieren woordenboek kopen of je abonneren op een digitale variant met filmpjes. Ik heb die nog niet gebruikt, maar wat me dan nog steeds lastig lijkt, is gebaren opzoeken. Zou er zo iets als een ‘alfabetisch’ opzoeksysteem bestaan? Ik vermoed van wel, maar dat zal wennen zijn, net zoals het wennen is om Chinese karakters in een woordenboek op te zoeken. (Zelf kan ik dat niet.)

Wat ik eigenlijk nog erger mis dan een woordenboek, is een naslagwerk voor grammaticale kwesties. Ik ben bijvoorbeeld nog steeds aan het hannesen met de woordvolgorde; de regelmaat die daar ongetwijfeld in zit, ontgaat me nog voor een deel. Ik heb op internet een cd-rom gevonden die daar kennelijk informatie over geeft, maar hoe veel, hoe duidelijk en of die dus het bestellen waard is, dat zijn vragen waarop ik nog geen antwoord heb.

Sterker nog, ik kom hier en daar wat opmerkingen tegen die doen vermoeden dat het NGT grammaticaal nog niet zo erg grondig beschreven is. Zou het echt? Een taal die inheems is in een land met misschien wel de meeste taalkundigen per hoofd van de bevolking, en dan niet goed beschreven? Ik vind dat moeilijk te geloven.

En dus hannes ik voorlopig gewoon verder. Met plezier, overigens.

***

Lees vooral ook het eerste commentaar hieronder. Nuttige informatie. Dank je, Mark.

Geplaatst in Nederlandse Gebarentaal | Tags: , | 1 reactie

De les van Drongo

logo_drongoIk heb van het meertaligheidsfestival Drongo veel te weinig meegekregen. Maar ik heb er wel iets geleerd.

Zoals ik vooraf al vermoedde (zie deze blogpost) was ik de hele dag aan mijn eigen kraam gekluisterd, zodat ik vrijwel geen andere kramen, optredens en activiteiten heb gezien. Samen met mijn vrouw heb ik, aan de hand van mijn eigen app, tientallen mensen taaltoeristisch advies gegeven: welke bestemmingen in Europa zijn uit taaloogpunt interessant?

Dat leidde tot veel leuke en ook nuttige gesprekken, en die weer tot tweets als ‘Wat een leuke app hebben zij ontwikkeld!’ (van Charlotte, @loth85) en ‘Goede tweede op #drongofest was @taaljournalist, vanwege het leuke, persoonlijke reisadvies’ (van Kirsten, _netsriK_). Daarnaast heb ik ook nieuwe informatie voor de app gekregen: mooie bestemmingen op Corsica bijvoorbeeld (dank, Marilena Verheus), en het ietwat droevige bericht dat Intertaal zijn winkel in Amsterdam heeft gesloten.

Maar mijn bewering hierboven dat ik iets heb geleerd, slaat op iets anders. Op de toekomst van het gedrukte boek, namelijk. Ik leefde tot dusverre in de veronderstelling dat dat een steeds marginaler positie zou krijgen, naast het oprukkende e-boek. Maar toen Drongo-bezoekers gisteren bij ons kraampje konden kiezen tussen papieren en digitale boeken, maakten ze vrijwel allemaal de ‘ouderwetse’ keuze – het grote prijsverschil ten spijt.

Middelbare mensen zeker, net als ik? Voor een deel wel, ja. Maar een flink deel van de aanloop bestond juist uit studenten, jonge vrouwen (vooral) van onder de dertig. En van hen wilde er niet één een digitaal boek. Ze wilden een echt boek vasthouden, ze wilden bladeren, ze wilden het zelfs ruiken. Het enige positieve wat ze over e-boeken hadden te zeggen, was dat die ‘handiger zijn om mee te nemen op vakantie’.

‘Maar de generatie die nu wordt geboren, zal daar vast wel anders over denken’, merkte ik op. ‘Ik betwijfel het’, antwoordde bovengenoemde Kirsten. ‘Als ik kinderen krijg, laat ik die gewoon weer kennismaken met papieren kinderboeken.’

Krijg daar maar eens een speld tussen.

Kortom, ik begin sterk te vermoeden dat het papieren en het digitale boek inderdaad bestaansrecht hebben naast elkaar, zoals natuurlijk al meer mensen hebben beweerd. (Hier een eerdere blogpost daarover.) Waarbij de kans misschien wel groter is dat het e-boek een nicheproduct wordt naast zijn gedrukte tegenhanger dan omgekeerd.

En om nog even terug te komen op Drongo: volgend jaar ga ik weer gewoon als bezoeker. Zo’n kraam bemannen is leuk, maar zo veel interessants missen dat zich een paar meter verderop afspeelt, is buitengewoon frustrerend.

Geplaatst in boeken e.d. | Tags: , , | Plaats een reactie

De stilste taal van Nederland (2)

goudlokje_linksHet ritueel heeft iets kinderachtigs, maar als markering blijkt het behoorlijk effectief: aan het begin van elke les Nederlandse Gebarentaal stoppen we allemaal onze stem in een doosje. Letterlijk, althans voor een deel, want er circuleert dan echt even een plastic bakje waar we, al mimend, iets in opbergen wat we uit onze mond halen. Daarna wordt er niet meer hardop gepraat tot het einde van de les, wanneer de docent het doosje opent en onze stemmen weer vrijlaat. Alleen gefluisterd wordt er heel af en toe nog, meestal om iets vóór te zeggen aan een medecursist die iets niet snapt.

Ruim twee uur lang wordt er dus vrijwel alleen gebaard. Of ‘gebaad’, in een taalbad zoals ik dat persoonlijk nog nooit heb meegemaakt. Natuurlijk, na heel wat uren Spaanse les was mijn eerste bezoek aan een Spaanstalig land ook een taalbad, met alle moeizame gespartel en geproest van dien, maar de lessen zelf waren heel traditioneel, met uitleg in het Nederlands of Engels. Nu lig ik dus als volslagen beginner in een talig pierebadje en moet telkens weer vertellen dat ik niet Caroline heet, maar Gaston, en dat die daar degene is die Caroline heet, en dat ik water drink, of thee met niets erin, of koffie met melk maar zonder suiker. Ook weer kinderachtig, maar ook effectief. En als het gaat om het leren van een taal, zíjn kinderen natuurlijk ook bepaald geen slechte rolmodellen.

Uitpluizen
Wat allemaal niet wegneemt dat ik soms graag wat meer houvast zou willen hebben. Waarom gebaart de docent soms iets anders dan de instructeur op de dvd? Het persoonlijk voornaamwoord staat als onderwerp van de zin bij de een vooraan, bij de ander achteraan en soms op beide plaatsen. Het zal wel kloppen, hoor, maar hoe zit dat? Heeft het soms iets te maken met de topic en de focus van de zin: welke informatie sluit aan bij het voorgaande, welke is nieuw en dus belangrijk? Misschien toch eens opzoeken.

Op een ander punt begint er gelukkig wel helderheid te ontstaan: bij welke gebaren gebruik je ook je mond (het ‘smakken’ waar ik het vorige keer over had), bij welke niet? Het is geen keiharde wet, maar de vuistregel lijkt toch wel te zijn dat vooral zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden vergezeld gaan van een mondbeweging, en werkwoorden niet. Het is trouwens verrassend moeilijk om dat ook te dóén. Ik ben zo geconcentreerd op mijn handen dat ik mijn mond – beroofd als hij bovendien is van stemgeluid – vaak vergeet te gebruiken. Ik begin trouwens te vermoeden dat het toevoegen van zo’n mondbeeld de woordsoort kan veranderen: het gebaar voor ‘bewegen’ plus mondbeeld wordt dan ‘beweging’. Maar ook hier geldt weer: onder voorbehoud. (Is dit hoe een taalkundige zich voelt die in het Amazonegebied of op Nieuw-Guinea een nog onbeschreven taal probeert uit te pluizen?)

Boekstaven
De docente schrijft af en toe iets op een bord. In het Nederlands. Dat laatste is minder logisch dan het misschien lijkt. Om te beginnen is Nederlands voor haar een tweede, later geleerde taal, die voor haar bovendien een pure schrijftaal is, die ze spreekt noch hoort. Maar bovendien, bij onderdompeling in een taalbad is de schrijftaal meestal dezelfde als de spreektaal, en hier dus niet. Hetgeen de vraag oproept: kĂĄn NGT ĂŒberhaupt geschreven worden?

Het antwoord is ja, las ik in het jongste nummer van Levende Talen Magazine, dat toevallig deze week op de mat viel. Alleen, NGT en andere gebarentalen gebruiken niet het Latijnse alfabet, maar SignWriting, een set tekens die speciaal ontworpen is om alle gebaren zo efficiĂ«nt mogelijk te boekstaven. (Het plaatje rechtsboven is zo’n teken.) Opmerkelijk genoeg wordt dat schrift op Nederlandse dovenscholen niet of nauwelijks onderwezen; in het Vlaamse Kasterlinden wel. De schrijfster van het artikel, Eveline Boers-Visker, geeft praktische, sociale en culturele argumenten om dat wĂ©l te gaan doen. Het artikel staat helaas nog niet online; wanneer het verschijnt, zal ik een koppeling plaatsen.
[Dat is inmiddels gebeurd: download hier de pdf.]

Geplaatst in Nederlandse Gebarentaal | Tags: , | 9 reacties

Taaltoerisme in het Engels

ontwerp DEF kleinEven een nieuwsberichtje: de vertaling van Taaltoerisme is nu helemaal klaar. Alison Edwards heeft haar werkzaamheden een poosje terug tot mijn volle tevredenheid afgerond, en een paar dagen geleden heb ik een pdf gemaakt van de teksten en het omslagbeeld (zie rechts – klik voor vergroting). Met pagina’s op A5-formaat, zodat het uitstekend leesbaar is op een tablet (of een telefoon, al vind ik zelf dat geen aanrader).

What Europeans speak (so you won’t understand) bevat alle talen die in Taaltoerisme stonden behalve Jiddisch, Azerbeidzjaans en Limburgs, en bovendien een paar nieuwe: Esperanto, het Normandisch van de Kanaaleilanden, Manx (geschreven door Frauke Watson) en Schots (een bewerking door Katy McMillan van het ‘oude’ Limburgse hoofdstuk!). Alle teksten zijn herzien, waarvan sommige ingrijpend (Engels, Nederlands), andere zijn zelfs geheel vervangen (Ests, Sloveens, de inleiding). Kortom: het boek is niet alleen vertaald, maar ook grondig gelokaliseerd, zoals dat heet, en wel voor de Britse markt.

Wat die Britse markt betreft: die moet ik dus nog wel Ăłp. Ik heb nog geen uitgever. Gelukkig heb ik wel genoeg bemoedigende woorden van oordeelkundige mensen gehoord om erop te vertrouwen dat dat wel goed komt.

Ik ga de pdf-versie niet actief vermarkten. Maar als je hem wilt hebben, voor die bevriende talenliefhebber die geen Nederlands kent of gewoon voor jezelf, uit nieuwsgierigheid, kan dat. Ik vraag er € 9,95 voor. Stuur me maar even een mailtje.

Update: Niet alleen heeft de beroemde Britse taalpublicist David Crystal zich positief over What Europeans speak uitgelaten, ik ga binnenkort ook met een bekende literaire agent praten die er wel brood in ziet. Als zij het boek onder haar hoede neemt, is de kans groot dat het een uitgever vindt.

Geplaatst in boeken e.d., vertalen | Tags: , , | Plaats een reactie

De stilste taal van Nederland (1)

Nederlandse-Gebaren-Taal-NederlandVoor het eerst in 35 jaar maakte ik gisteren deel uit van een klasje dat zijn allereerste les kreeg in een vreemde taal. Ik ben in de tussentijd  nog wel eens aan een nieuwe taal begonnen, vrij vaak zelfs, maar dat was dan altijd in mijn eentje, in een talenpracticum of met een zelfstudieboek.

Terug in de schoolbanken dus, met zeven medeleerlingen, één docent en, voor deze ene keer, een tolk. De docent spreekt namelijk geen Nederlands, al schrijft ze het gelukkig wel. Ze is doof (kan niet horen) en zelfs Doof (lid van de Dovencultuur), en geeft les in Nederlandse Gebarentaal. De meeste deelnemers daarentegen zijn volslagen beginners in NGT. Dat geldt ook voor mij; ik heb wel het een en ander erover gelezen, maar ja, over schaatsen heb ik nog veel meer gelezen en toch kom ik geen meter vooruit op die enge ijzers.

Ik zal daarom, agenda en weder dienende, op dit blog verslag doen van mijn ontdekkingstocht naar de stilste taal van Nederland. (Van Néderland inderdaad, want Vlaanderen heeft zijn eigen gebarentaal. En Suriname? Geen idee.) Ik kan dus alleen vertellen wat ik begrepen heb. Het kan best zijn dat sommige dingen genuanceerder liggen dan ik nu als beginner denk, en het is ook bepaald niet uitgesloten dat ik hier en daar iets verkeerd begrepen heb. Laat het me gerust weten!

Intonatie
Nederlandse-Gebaren-Taal-GebarenTen aanval dan. Wat is me gisteren opgevallen? Om te beginnen: het belang van de mond. Er blijken allerlei woorden te zijn, zoals naam en koffie, waarbij je tijdens het gebaar bovendien het woord uitspreekt, zij het nog veel zachter dan fluisterend – meer een soort smakken. Gebaarders, zelfs degenen die helemaal geen gesproken taal gebruiken, moeten dus ook een flink aantal woorden uit het Nederlands kennen, niet alleen het geschreven woordbeeld, maar ook het mondgevoel. Dat had ik niet gedacht.

Behalve de mond doet ook de rest van het hoofd ertoe, want de expressie is onverbrekelijk onderdeel van het gebaren. Een vragende blik zet als het ware een vraagteken achter de zin; een verbaasde of gegeneerde blik heeft weer zo zijn eigen effect. Ik vermoed dat al die gezichtsuitdrukkingen het beste te vergelijken zijn met intonatie in gesproken taal.

Verrassend leuk is een deel van de woordenschat. Ik verwachtte eigenlijk dat gebaren zich, net als Chinese karakters, in de loop van de tijd ‘losgezongen’ zouden hebben van hun betekenis. Maar in mijn eerste setje woorden zitten er een flink stel die duidelijk iets uitbeelden – een soort fysieke pictogrammen en ideogrammen. Bij het woord voor ‘koffie’ ben je duidelijk bonen aan het malen (lekker retro, net als het woord ophangen voor ‘een telefoongesprek beĂ«indigen’), bij ‘thee’ dompel je een zakje in een kop, bij ‘drinken’ zet je die kop aan je lippen. Dat luistert trouwens nauw. Die ‘kop’ vorm je met vier parallel gekromde vingers, niet met, ik noem maar wat, één vinger door het oor. Logisch ook, want in gesproken taal kun je drinken ook niet zomaar uitspreken als ‘dlinken’ of ‘drinkin’, ook al zou de begrijpelijkheid niet meteen in het gedrang komen. Met ‘dringen’ en ‘dronken’ zou dat trouwens wĂ©l gebeuren, en zo zullen er ook wel gebaren zijn, neem ik aan, die op ‘drinken’ lijken.

Tweevoud
Dan een paar kleine grammaticale observaties. De standaardwoordvolgorde is SOV: eerst het onderwerp, dan het lijdend voorwerp, het werkwoord laatst. Dus ‘ik koffie drink’. Maar bij persoonlijke voornaamwoorden verandert dat: het is ‘ik roep jou’, niet ‘ik jou roep’. Overigens worden werkwoorden niet vervoegd voor persoon en getal, dus in plaats van ‘roep’ zou ik ook ‘roepen’ kunnen schrijven, maar dan klinkt het meteen als een inboorlingentaal in een oude Kuifje-strip, dus dat doe ik niet.

In de voornaamwoorden heb ik nog geen vormverschillen kunnen ontdekken tussen de onderwerpsvorm (ik), de voorwerpsvorm (mij) en het bezittelijke ‘mijn’. Maar een interessantere ontdekking vond ik dat er onder Nederlanders een taal voorkomt waarin het tweevoud (voor liefhebbers: de dualis) springlevend is, althans bij de voornaamwoorden. Voor ‘wij/ons tweeĂ«n’, ‘jullie tweeĂ«n’ en ‘zij/hun tweeĂ«n’ is het gebaar anders dan voor grotere groepen. Wijzen met twee vingers, in V-vorm: simpel doch effectief.

Ten slotte: het is nogal ongewoon dat in een gezelschap van tien mensen een uur lang niemand (hardop) spreekt. Ik betrapte me gisteren erop dat ik bij de kennismakingsoefeningen – ‘hoe heet je’, ‘hallo’, dat soort dingen – inwendig ging meepraten. Alleen, dat was niet in het Nederlands of Limburgs, maar in de taal die ik kennelijk het meest associeer met een schoolse manier van leren: Frans.

‘Bonjour, monsieur Dupont. Ça va?’ Zo klonk de soundtrack van mijn eerste lesje NGT.

Geplaatst in Nederlandse Gebarentaal | Tags: , | 2 reacties