Fries in Gambia

Hotelbibliotheekje in Gambia. Inclusief een Fries boek.

Hotelbibliotheekje in Gambia. Inclusief een Fries boek.

Afgelopen week was ik in Gambia. Om precies te zijn was ik ‘a Duck tourist in Chape Point Hotel’.

Duck? Chape? Ja, zo klinkt het Gambiaanse Engels. ‘Dutch’, zouden wij zeggen, en ‘cape’. Ook sommige andere Engelse woorden waar je /tsj/ of /dzj/ zou verwachten, spreken ze uit met een /k/ (much, lodge), maar toch ook weer niet allemaal: beach klinkt als /bietsj/, cheap als /tsjiep/. Omgekeerd verandert, net als in cape, ook in sommige andere woorden een /k/ in een /tsj/, zoals keep. Maar in come of cool dan weer niet.

Als je een Nederlandse toerist bent, vind je dat raar. Maar een Zweeds toerist, en daar zijn er in Gambia veel van, vindt het denk ik veel minder gek (voorzover ze er acht op slaan, natuurlijk). In het Zweeds spreek je woorden als kejsare (‘keizer’) en kilometer zo ongeveer uit als /tsjaisere/ en /tsjilomiëter/. Een k voor een e of i klinkt dus doorgaans als /tsj/. En lang geleden, toen de inwoners van Italië het Latijn heel geleidelijk verbouwden tot Italiaans, zijn ook zij op zeker moment  sommige /k/-klanken als /tsj/ gaan uitspreken. Caesar, ooit /kesar/ of iets dergelijks, heet in het Italiaans Cesare ofwel /tsjezare/. Trouwens, ook Friezen en Engelsen hebben /k/’s in /tsj/’s veranderd, zoals in de woorden voor ‘kaas’, cheese en tsiis. En ik meen dat hetzelfde verschijnsel zich in Keltische en Slavische talen heeft voorgedaan. Het is dus niet zo buitenissig wat de Gambianen doen, en fonologisch makkelijk verklaarbaar. Het is alleen wat onhandig dat ze het doen in de vreemde taal die we gebruiken om elkaar te verstaan, want het komt de vloeiende gesprekken niet echt ten goede. Al went het wel natuurlijk. Lees verder

Geplaatst in vreemde talen | Tags: , , | Plaats een reactie

Dit blog in 2013

De mensen – of nou ja, de computers – van WordPress hebben een soort jaarverslagje van dit blog opgesteld, in het Engels. Hieronder kun je zien hoeveel bezoekers er waren, wat ze lazen, wie er het vaakst reageerden; dat soort dingen. Dat ik het Sydney Opera House virtueel vijf keer uitverkocht heb, is natuurlijk wel mooi, maar goed, deze voorstelling is ook wel heel schappelijk geprijsd…

Here’s an excerpt:

The concert hall at the Sydney Opera House holds 2,700 people. This blog was viewed about 15,000 times in 2013. If it were a concert at Sydney Opera House, it would take about 6 sold-out performances for that many people to see it.

Klik hier om het hele verslagje te zien.

Geplaatst in zonder categorie | Tags: | Plaats een reactie

De grote dictator

dicteeIk had voor dit jaar het volgende Groot Dictee der Nederlandse Taal geschreven.

‘Als NOS Journaal-correspondent was Philip Freriks jarenlang gestationeerd in het Frankrijk van de Vijfde Republiek. Al sinds de napoleontische tijd hecht deze West-Europese natiestaat sterk aan zijn centralistisch-republikeinse traditie, waarbij een disproportioneel  gewicht wordt toegekend aan de eenheid en puurheid van de sacrosancte nationale taal. De politici en bureaucraten behandelen de dialecten en argots van ’s lands regionale minderheden met zo veel repressief dedain, grenzend aan uitroeiingsbeleid, dat deze EU-lidstaat zich meermalen de kwalificatie ‘linguïstische schurkenstaat’ heeft moeten laten welgevallen.

Eenieder die in Frankrijk heeft schoolgegaan, heeft daar kennisgemaakt met de welhaast obsessieve manier waarop spelling- en andere taalnormen uitentreuren in elke jonge Fransman en Française worden gestampt. Het continu voorschotelen van dictees is er standaardpraktijk, waardoor onder meer het vreemdetalenonderwijs schade lijdt.

Sinds midden jaren tachtig wordt dit fenomeen zelfs na het basis- en voortgezet onderwijs gecontinueerd: telkenjare dicteert journalist Bernard Pivot [deze naam zullen we niet meerekenen in de puntentelling] een vrij arbitraire reeks van godsonmogelijke zinnen. Het is thans usance dat velen op een A4’tje accuraat kopiëren wat deze literatuurgoeroe declameert. Ridicule tradities als deze passen alleszins bij de onattractieve Franse attitude jegens de eigen taal, waarin schoolmeesterachtige hardvochtigheid hand in hand gaat met een pathologisch superioriteitscomplex.

Uitgerekend dit sneue element van de in menigerlei opzicht magnifieke Gallische cultuur heeft Philip Freriks geplagieerd, althans geïmporteerd naar de Lage Landen. Geen poëzie-evenement helaas, geen bellettrieconcours, zelfs geen Scrabblekampioenschap – zaken waar de francofonie nochtans ook op kan bogen. Nee, een dictee. Het Groot Dictee zelfs, met de plagiator zelf als grote dictator.

Dit on-Nederlandse wanproduct hijst een van de oninteressantste aspecten van onze taal ten onrechte op het schild der media-aandacht. Het creëert de mythe dat orthografische competentie een substantieel, ja cruciaal deel is van de minimumtaalbeheersing. Quod non, parbleu, en allesbehalve! Oftewel: het is ver bezijden de waarheid.

Daarom zeg ik: basta, een rigoureus basta. Nederlanders en Belgen, bevrijd u van Freriks’ dwingelandij. Bevrijdt u zich van die ex-tv-journalist, en ook van Martine Tanghe, zijn Vlaamse complice. Weg met die dictators!’

Maar ik ben niet gevraagd om het Groot Dictee te schrijven. Misschien volgende keer.

****

Deze blogpost is later het eerste hoofdstuk van mijn bundel Vakantie in eigen taal (uitg. Athenaeum, 2016, 208 blz) geworden. Bestel het hier.

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , | 11 reacties

Agent

Piccadilly Circus, vlakbij United Agents

Piccadilly Circus, vlak bij United Agents

Even een nieuwsblogje: ik heb sinds gisteren een literair agent in Londen. Caroline Dawnay van United Agents gaat haar best doen om Taaltoerisme bij een Britse uitgever onder te brengen, en in met name een Duitse vertaling is ze ook geïnteresseerd.

Dat er een uitgever ‘ja’ zal zeggen, is nog geen uitgemaakte zaak, maar in ieder geval is Dawnay een ervaren en gerenommeerde agent. Vorige maand heeft een van haar auteurs, de jonge Nieuw-Zeelandse Eleanor Catton, zelfs de Man Booker Prize gewonnen. Tot haar ‘stal’ behoren ook de filosofieschrijver Alain de Botton (die ik erg graag lees) en de taalkundigen Guy Deutscher (idem) en Yaron Matras. Ze is zelf erg in taal geïnteresseerd; zo heeft ze in het verleden een tijdje Ests proberen te leren.

Het zijn spannende tijden.

****

Update: het is gelukt!

Geplaatst in boeken e.d. | Tags: | 7 reacties

Over het leven van de zin

omslag
De zin, de gesproken zin, de geschreven zin, kortom, de “eenheid van inhoud” waarin we ons binnenleven naar buiten brengen, ja, zelfs deze lange en intussen misschien een beetje ingewikkelde zin (of gaat het nog?), kun je beschouwen als een cadeautje. Waarom? Voor een deel omdat we hem altijd aan iemand ‘geven’, meestal aan iemand anders. Maar er is nog een overeenkomst. Een beetje cadeau zit in een mooi papier, al dan niet voorzien van een strikje, een winkelsticker, een naam, misschien zelfs een gedicht. Net zo bestaat een zin behalve uit de eigenlijke gedachte ook uit allerlei laagjes daaromheen.

Dat is de centrale metafoor van Marc van Oostendorps net verschenen boek Heb je nou je zin! De metafoor van het geschenk staat zelfs op twee manieren centraal (nog los van het feit dat elk in november verschijnend boekje geschonken wil worden). De schrijver gebruikt hem om de zin vanuit allerlei taalkundige, filosofische en psychologische perspectieven te analyseren: waar zit de kern, wat doen we met alle woordbouwsels daaromheen en hoe doen we dat? Hoe voegen we aan de kerngedachte gevoelens, meningen, bedoelingen, adresseringen en nog meer toe? Daarnaast past de schrijver stilistisch het beeld van het ingepakte cadeau expliciet toe op het boek zelf. De lezer moet door vele lagen papier heen (noem het bladzijdes) voordat hij de kern van het betoog bereikt: een chomskyaanse beschrijving van het leven van de zin.

En inderdaad: na lezing voelde ik me rijker, maar mijn (boven)kamer lag ook een beetje rommelig vol pakpapier. Het ene stuk nog mooier dan het andere, dus vervelend was dat allerminst. Of laat ik de beeldspraak verlaten, voordat dit blogje in een allegorie ontaardt: ik had die beschouwingen – over emoticons, de ergatief en Esperanto, over de platheid van wiskunde, het voordeel van de tangconstructie en de ideale omvang van een taalgemeenschap, over Paul Grice, Gottlob Frege en uiteraard Noam Chomsky – niet willen missen. Inhoudelijk boeiend, vol levendige en vaak verrassende formuleringen, meestal overtuigend en anders wel uitnodigend tot tegenspraak. Wat wil een lezer nog meer?

Nou ja, één ding had deze lezer nog wel gewild, en dat is een beetje aan de hand genomen worden. Het boek meandert nogal; het voelt bijna als één zin waarvan de punt 184 bladzijdes op zich laat wachten. Dat is vast opzettelijk, en in een roman zou ik ook warmlopen voor die keuze. Maar in een betoog als dit zou het didactisch nuttig zijn om de structuur (die er wel in zit, maar ik weet niet zeker hoe doortimmerd die is) wat doorzichtiger te maken. De speelse titels boven de ruim zeventig hoofdstukken zijn eerder tussenkopjes en geven weinig houvast. Het geheel voelt nu af en toe als een verzameling fijne blogjes, en daarmee doet het boek zichzelf tekort.

O ja, en nog iets: een betere titel en ondertitel. Als er Heb je nou je zin! Een zoektocht naar de mooiste, langste, diepste en laatste zinnen op de kaft staat, verwacht ik een Guinnessboekachtige benadering van de schone letteren. En dus niet de aanstekelijke beschouwing van een centraal taalkundig verschijnsel die er in feite achter schuilgaat.

Marc van Oostendorp, ‘Heb je nou je zin! Een zoektocht naar de mooiste, langste, diepste en laatste zinnen.’ Prometheus – Bert Bakker, 2013, € 17,50.

****

Omdat de Amerikaanse journalistieke gewoonte van ‘full disclosure’ naar mijn mening navolging verdient, het volgende: Marc van Oostendorp heeft vorig jaar mijn boekTaaltoerisme gerecenseerd, hij heeft me rond diezelfde tijd uitgenodigd om bij te dragen aan Neder-L en we hebben samen een artikel voor Onze Taal geschreven. (Wat niet wegneemt dat ik bovenstaande lof en kritiek gewoon meen, uiteraard.)

Geplaatst in boeken e.d., taal algemeen | Tags: | Plaats een reactie

‘Da’s convergente evolutie.’ – ‘Hè?’

huh

Klik hierboven voor minifilmpje

Au is geen woord, au is een geluid, net als hatsjie. En wereldwijd maken mensen datzelfde geluid als ze zich bezeren respectievelijk niezen. Althans, dat dacht ik als kind. Maar toen ik in het buitenland begon op te letten, ontdekte ik dat het niet klopte. Elders zeggen mensen ouch, ai of oi als ze zich pijn doen, en bij een nies roepen ze achoo, atchoum of hakushon.

Zijn ál onze geluiden dan woorden? Het schrapen van onze keel? Nee, dat klinkt wereldwijd hetzelfde. Hoesten en kuchen? Idem. En een vragend geluid uitstoten om te laten merken dat we de ander niet begrepen hebben: hè?

Hoe onwaarschijnlijk het ook lijkt: dat is dan weer een woord. Onderzoekers van het Nijmeegse Max Planck Instituut voor psycholinguïstiek luisterden naar geluidsopnames in tien verschillende talen: Nederlands, Spaans en Chinees, maar ook minder bekende talen zoals Lao (in Laos), SIwu (Ghana) en Murriny Patha (Australië). 196 keer hoorden ze een spreker om verduidelijking vragen met zo’n gespecialiseerd woordje. En dat klonk in de ene taal nét iets anders dan in de andere. In het Spaans meer als e?, in het Chinees en Lao meer als a? (Hier een minifilmpje.)

Maar in geen enkele taal, ook niet in de 21 die ze voor alle zekerheid daarna nog beluisterden, klonk dat ene gespecialiseerde woordje als, pakweg, froep of biekebiek. Overal was het een uiterst kort, eenvoudig woordje, en bijna overal had het een stijgende intonatie. Dat komt, zo vermoeden de onderzoekers, doordat de situatie een vragend woord vereist dat je snel in een minuscule spreekpauze kunt proppen. Want zo kun je je gesprekspartner laten weten dat de communicatie is vastgelopen en dat herhaling of betere uitleg geboden is.

Dat werkt overal ter wereld zo, en daardoor is er in alle talen min of meer hetzelfde woordje ontstaan dat deze functie vervult. De onderzoekers spreken van ‘convergente evolutie’. Normaal gesproken lijken woorden met dezelfde betekenis alleen op elkaar als ze dezelfde herkomst hebben, door gedeelde afstamming of ontlening. Maar door die convergente evolutie vormt  een uitzondering op die regel.

Niet triviaal
In het uitvoerige en heldere persbericht waarin de onderzoekers hun wetenschappelijke publicatie onder de aandacht brengen, benadrukken ze dat ze heus niet de beste jaren van hun leven vergooien aan triviale kwesties. (Kennelijk missen ze de ambitie een Ig Nobel-prijs te winnen.) De ontdekking dat er over het woordje  iets opmerkelijks valt te zeggen, is een bijvangst van een groter onderzoek naar taal en sociale interactie, gefinancierd door de Europese Onderzoeksraad, melden ze.

Taal en sociale interactie. Dat klinkt inderdaad als een eerbiedwaardig onderzoeksterrein. En nee, ik ga nu niet zeggen dat ik een leuker onderwerp vind, want ik vermoed dat er over taal en sociale interactie heel veel interessant nieuws valt te melden. Ik hoop vooral dat de onderzoekers hun uiteindelijke ‘grotere’ bevindingen óók op zo’n heldere, begrijpelijke manier presenteren als die van dit kleine onderzoekje.

****

Meer informatie op http://huh.ideophone.org. Het oorspronkelijke artikel is: Dingemanse, Mark, Francisco Torreira, and N.J. Enfield. 2013. “Is ‘Huh?’ a universal word? Conversational infrastructure and the convergent evolution of linguistic items.” PLOS ONE. doi:10.1371/journal.pone.0078273.

http://huh.ideophone.org/
Geplaatst in taal algemeen | Tags: , , | 7 reacties

Eindelijk een blad over alle taal

schwafire-kickstarter-logoWaarom bestaat er geen mooi leesblad over taal, talen en taalkunde? Gedegen doch taaie vakbladen zijn er bij de vleet en Onze Taal is een onmisbaar prachttijdschrift over het Nederlands en aanpalende onderwerpen. Maar een meer internationaal georiënteerd blad dat taalkundige diepgang paart aan leesbaarheid, met als thema taal in de volle breedte, dat is er bij mijn weten niet. Nou ja, één: in Engeland verschijnt Babel, maar het eerste nummer viel me zo tegen dat ik me niet geabonneerd heb. Zelf heb ik met collega’s ook wel eens over gefantaseerd over zo’n blad, en er is zelfs een plannetje op papier gezet, maar ergens is het blijven steken.

Maar nu komt het er dan toch aan! De Amerikaanse taaljournalist Michael Erard heeft vergevorderde plannen voor Schwa Fire, dat precies wil zijn zoals ik hierboven beschrijf: breed, journalistiek en gedegen. Of zoals een andere taaljournalist, Patrick Cox van podcast World in Words, het beschrijft: If you like the kind of reporting I do in the podcast and in this blog, you’re going to love this: a new digital online magazine devoted to in-depth language reporting. Cox’ podcast, vooral over de maatschappelijke kant van taal, overal ter wereld,  is inderdaad zeer de moeite waard. Dus als hij uitgebreid in het promotiefilmpje voor Schwa Fire verschijnt, verwacht ik er veel van.

Het wordt een digitaal magazine. Uiteraard, zou ik bijna zeggen, en gelukkig ook maar, want anders gaat bijna je halve abonnementsgeld op aan verzendkosten. Als Babel niet zo hardnekkig alleen op papier verscheen, was het zijn prijs misschien wel waard geweest. Verder is Schwa Fire zo verstandig om een crowdsourcing-strategie te volgen: alleen als geïnteresseerden voor 10 december $ 25.000 (€ 18.500) toezeggen, gaat het project van start. Dat moet lukken, lijkt me. Wereldwijd moeten er toch wel 999 mensen te vinden zijn die er evenveel voor overhebben als ik?

Jij misschien? Kijk even op Kickstarter.

Geplaatst in boeken e.d., taal algemeen | Tags: , , | 1 reactie

De stilste taal van Nederland (6)

gebarentaalCH

Hǒuyǔ, letterlijk ‘handtaal’, Chinees voor ‘gebarentaal’.

Het is opvallend op hoeveel punten Nederlandse Gebarentaal gelijkenis vertoont met het Chinees, maar afwijkt van het Nederlands of andere gesproken westerse talen.

1. Terwijl er in niet-gebarentalen maar zelden een verband is tussen de vorm van een woord en zijn betekenis, komt dat in NGT en (geschreven) Chinees meer voor. Een beperkt aantal Chinese karakters hebben het karakter van een ideogram of pictogram: ze zijn te herleiden tot een afbeelding van het bedoelde begrip, zoals ‘hand’ in het plaatje hier rechtsboven. In NGT beeldt een flink aantal gebaren het bedoelde begrip uit. Sommige gebaren (bijvoorbeeld voor ‘eten’, ‘goed’ en ‘telefoon’) worden door alle Nederlanders gebruikt, andere zijn zonder uitleg duidelijk (zoals die voor ‘thee’, ‘onder’ en ‘komen’), nog weer andere zijn dat na vertaling (‘kers’, ‘geven’, ‘zondag’). Als NGT wordt geschreven met behulp van SignWriting, blijft dit verband behouden, zij het in gestileerde vorm – zoals ook Chinese ideo- en pictogrammen altijd gestileerde afbeeldingen zijn.

2. Chinees en NGT hebben geen lidwoorden – een eigenschap die ze delen met de meeste talen in de wereld, en in Europa met de meeste Slavische talen.

3. In Chinees en NGT hebben zelfstandige naamwoorden geen geslacht. Ook dat is verre van uniek: het geldt in Europa bijvoorbeeld ook voor Engels en Esperanto. De meeste woorden voor mensen en persoonlijke voornaamwoorden hebben in het Chinees en NGT eveneens geen geslacht. Geen zanger versus zangeres dus, en zelfs geen hij versus zij. Dat is, opnieuw, niet uniek: Fins, Turks en Hongaars delen dezelfde eigenschap. Uiteraard kunnen al die talen wel uitdrukken dat iemand een man of een vrouw is, en bij sommige basisbegrippen maken ze het onderscheid wel: de woorden voor ‘vader’ en ‘moeder’, ‘zus’ en ‘broer’ en dergelijke zijn in al deze talen wel degelijk verschillend.

4. Tijd wordt in het Chinees en NGT niet uitgedrukt door speciale vervoegingen: dus geen de vergadering liep uit, loopt uit of zal uitlopen. Beide talen drukken de tijd, als dat nodig is, liever anders uit: vorige keer loopt de vergadering uit, deze vergadering loopt uit, ik verwacht dat de vergadering uitloopt. Als die laatste zin heel natuurlijk klinkt, komt dat doordat het Nederlands de toekomende tijd ook meestal niet met een werkwoord(svorm) uitdrukt. Ons woord zullen drukt zelden of nooit een toekomende tijd uit, maar veel vaker iets als een vermoeden, een belofte of een bevel. Voor zover het Nederlands een hulpwerkwoord heeft voor de toekomst, is dat nog eerder gaan.

5. Al vervoegen Chinees en NGT hun werkwoorden niet voor tijd, ze maken wel onderscheid tussen het onvoltooide ‘ik doe’ (of ‘deed’, of ‘ga nog doen’) en het voltooide ‘ik heb gedaan’ (of ‘ik had gedaan’ of ‘ik ga het afkrijgen’). Chinees (Mandarijn) gebruikt het woordje le dat van oorsprong ‘voltooien, afmaken’ betekent, NGT gebruikt een gedecideerd gebaar met het mondbeeld ‘geweest’.

6. Ook andere vormen van vervoeging en verbuiging zijn schaars in Chinees en NGT. De meeste zelfstandige naamwoorden hebben geen speciale meervoudsvom. De meeste NGT-werkwoorden en alle Chinese werkwoorden behouden dezelfde vorm, ongeacht of het onderwerp eerste, tweede of derde persoon is, enkelvoud of meervoud. Dus: ‘ik lopen’, ‘jij lopen’, ‘wij lopen’ (en ‘wij-twee lopen’). Wel hebben sommige NGT-werkwoorden verschillende vormen doordat het onderwerp en het lijdend of meewerkend voorwerp in de beweging wordt geïntegreerd: in ‘jij geeft aan mij’ en ‘ik geef aan jou’ is de handvorm wel hetzelfde, maar de beweging anders.

7. Een belangrijke overeenkomst, ten slotte, heeft te maken met de zinsvolgorde. Helemaal snappen doe ik die nog niet, maar her en der lees ik dat Chinees en NGT allebei topic-prominent talen zijn: zinnen beginnen niet met het grammaticale onderwerp, maar met datgene waarover de spreker verderop in de zin een mededeling gaat doen – het ‘onderwerp’ in de meer alledaagse zin van het woord, eigenlijk.

En betekenen al die overeenkomsten nog iets? Hebben doven en Chinezen iets gemeen? Zijn NGT en Chinees historisch verwant? Nee, natuurlijk niet. Deze zeven punten laten alleen maar zien dat NGT, hoewel ontstaan in een Nederlands sprekende omgeving, op een flink aantal essentiële punten wezenlijk anders in elkaar zit. Als tweedetaalleerder ben ik daar niet zo blij mee, want de wekelijkse lessen zijn niet gemakkelijk. Maar mijn taalkundige nieuwsgierigheid wordt voortdurend gekieteld.

****

Toevoeging: 8. Er is me nog een overeenkomst tussen beide talen te binnen geschoten: voor nieuwe verschijnselen verzinnen ze meestal zelf een woord (dan wel gebaar), en ontlenen dat dus niet aan een andere taal. Puristen zullen dat fijn vinden, maar als je een taal leert ben je juist blij als je iets vertrouwds tegenkomt. Toen ik met Tsjechisch bezig was, was ik blij met woorden als organizace (‘organisatie’), terwijl een woord als hudba voor ‘muziek’ misschien wel schilderachtig was, maar toch vooral moeilijk te onthouden. De Chinese woorden voor deze begrippen, zǔzhī en yīnyuè, vergen allebei een geheugeninspanning, en ook de NGT-gebaren zal ik moeten leren. (Ik heb ze even opgezocht. ‘Organisatie’ is behoorlijk abstract, ‘muziek’ lijkt een dirigent uit te beelden.)

Toevoeginkje: 9. Het is een kleine, maar toch ook wel grappige overeenkomst waarop ik nu weer ben gestuit: in NGT én Chinees is het gebaar/woord voor ‘ouders’ een combinatie van de gebaren/woorden voor ‘vader’ en ‘moeder’, in deze volgorde.

Geplaatst in Nederlandse Gebarentaal, vreemde talen | Tags: , , , | 5 reacties

Een meedenk (2)

De motorheren

De motorheren

Het blogje Een meedenk heeft een aardig aantal reacties opgeleverd. Dank, meedenkers!  Kennelijk ben ik niet de enige die zo’n ietwat freakerig onderwerp op de vierkante millimeter leuk vindt om over na te denken. Hieronder een paar – noem het – conclusies.

* Ik had niet duidelijk genoeg gemaakt dat ik samenstellingen bedoelde waarvan de samenstellende delen ook weer Nederlandse woorden zijn, en bij voorkeur zelfstandige naamwoorden. Die lijken me namelijk het interessantst. Dat we automobiel hebben afgekort tot auto, klopt natuurlijk wel, maar auto betekende voor die tijd in het Nederlands niets. Hetzelfde geldt voor pocket(boek). Het eerste deel van stereo(installatie), super(benzine/markt) en opper(wachtmeester) betekenden wel al iets, maar het waren geen zelfstandige naamwoorden. De stereo, de super en de opper waren dus nieuwe woorden, die derhalve niet hoefden te concurreren met een oudere betekenis.

* Soms is het niet duidelijk of een woord te beschouwen is als een geval van onthoofding of als iets anders. Ik ben niet ervan overtuigd dat appel (als woord voor ‘appelboom’), schotel (voor ‘schotelantenne’), post (misschien een inkorting van postbode), koffiefilter (voor het ‘koffiefilterzakje’) en cervelaat (voor ‘cervelaatworst’ goede voorbeelden zijn. De eerste drie zijn, denk ik, eerder metoniemen. Een koffiefilterzakje, geplaatst in een plastic of metalen filterhouder, filtert de koffie, zodat koffiefilter een minstens even logisch woord is; de toevoeging zakje zou je misschien zelfs pleonastisch kunnen noemen. Cervelaat ten slotte is een ontlening die soms met, soms zonder de verduidelijkende toevoeging ‘worst’ wordt gebruikt; in ieder geval heeft cervelaat in het Nederlands nooit een eigen betekenis gehad.

* Niettemin blijven er een aantal duidelijke gevallen van onthoofding over. Mijn twee oorspronkelijke voorbeelden bleken inderdaad niet uniek. Het voorlopige rijtje is aldus:

Ze dronk een glaasje bessen: bessenjenever
Er stond een rij voor de dames: dames-wc
De dvd staat in dat kastje: dvd-speler
Gooi maar even wat bitterballen in de frituur: frituurpan
De heren is een verdieping hoger: heren-wc
Bij de kringloop kun je nog gratis parkeren: kringloopwinkel
Over de dijk reed een motor: motorfiets
Ze heeft een groene mp3: mp3-speler
Zaterdag heb ik piket: piketdienst
Geef me de waterpomp eens even aan: waterpomptang
Waar zou ik zijn zonder mijn poets? poetsvrouw, poetshulp
Ik bel wel even met de woningbouw: woningbouwvereniging

Een nogal gemêleerd gezelschap. In één geval lijkt een werkwoordsstam (poets) een zelfstandig naamwoord te zijn geworden. In drie gevallen (bessen, dames, heren) ziet het ingekorte woord eruit als een meervoud, maar wordt het als enkelvoud gebruikt.
Van tevoren was ik nieuwsgierig of het woordgeslacht van het ingekorte woord zou afhangen van het verdwenen hoofdwoord of van het resterende ‘linkerwoord’. Dat blijft in het ongewisse, want behalve piket (dat hier lidwoordloos wordt gebruikt) zijn er geen het-woorden in het gezelschap. Het feit dat de schijnbare meervouden toch enkelvoud blijven, doet vermoeden dat het verdwenen hoofdwoord zijn invloed behoudt.
Niet helemaal bevredigend kortom. Nader Onderzoek Is Noodzakelijk.

****

Latere toevoegingen:
Hier op de hoek zit een goeie afhaal: afhaalrestaurant, afhaal-Chinees
Het schip verging in een zware zuidwester: zuidwesterstorm
Ik sta achter de strijkplank met een grote berg strijk: strijkwas
De Nederlanders komen na de dweil: dweilpauze
Hij speelt de bas: basgitaar; in sommige contexten ook wel andere basinstrumenten

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , | 10 reacties

Wouters versus !Kung

Cas Wouters

Cas Wouters

In The better angels of our nature van Steven Pinker komen nogal wat niet-Engelse namen voor, en in de luisterboekversie is daar veel werk van gemaakt. Een Italiaanse boektitel klinkt redelijk Italiaans, een Franse familienaam klinkt behoorlijk Frans, enzovoort.

Maar dan het Nederlands.

De achternaam van Frans de Waal wordt zo iets als ‘De Waol’. De achternaam van Johan van der Dennen krijgt, gewoon op zijn Amerikaans, de klemtoon op van en de a-uitspraak van than, niet van bark. Boer klinkt als het Franse beurre, waarschijnlijk in de veronderstelling dat oe, net als in het Duits, voor de ö staat. En de achternaam van Cas Wouters wordt uitgesproken als Woeters, waarschijnlijk naar Frans voorbeeld.

Natuurlijk, Nederlands is minder bekend dan Frans, Italiaans of Duits. Dan krijg je dat. Ben ik allang aan gewend.

Alleen, het boek bevat ook twee namen die een klikklank bevatten. En die gaan wel goed! Althans, bij het uitspreken van !Kung produceert de voorlezer een klank die erg acrobatisch en klikachtig klinkt. Dat heeft hij kennelijk goed voorbereid.

Kom op zeg. Niet dat het heel belangrijk is, maar toch: zoek dan ook even uit hoe je De Waal, Van der Dennen, boer en Wouters goed uitspreekt.

Geplaatst in boeken e.d., Nederlandse taal, vreemde talen | Tags: , , | Plaats een reactie