Publieksbladen over taal: enkel voor Germanen?

1178mEr zijn bij mijn weten vijf publieksbladen over taal en taalkunde in Europa.

Allereerst Onze Taal natuurlijk, het tienmaal jaarlijks verschijnende prachtblad waar ik zelf geregeld voor schrijf. In het Nederlandse taalgebied is er ook nog een Vlaamse concurrent, Over Taal, met een lagere oplage, een geringere frequentie (vijf keer per jaar) en, zo op het oog, een kleiner budget. Maar eerlijk gezegd vind ik beide bladen een genot om te lezen.

In Zweden verschijnt acht keer per jaar een Onze Taal-achtige onder de titel Språktidningen (‘Het taaltijdschrift’). Ik heb de papieren editie nooit gezien, maar de website is uitstekend en ik heb een zwak voor hun motto, ‘tidningen i en ordklass för sig’, ‘het tijdschrift in een woordklasse op zich’.  Onze oosterburen hebben het kwartaalblad Deutsche Sprachwelt (‘Duitse Taalwereld’), dat naar mijn indruk een puristische inslag heeft. Onze Taal, Språktidningen en Deutsche Sprachwelt zijn alle drie behoorlijk actief op Twitter en ik kan zeker aanraden om ze daar te volgen, mits je de taal begrijpt waarin ze schrijven.

Verleden jaar heeft in Groot-Brittannië een nieuw populair-wetenschappelijk kwartaalblad over taalkunde het licht gezien, onder de wat voorspelbare naam Babel. (Toen ik ooit met collega’s brainstormde over een eventueel taalkundeblad, werd nota bene dezelfde naam geopperd.) Ik heb alleen het eerste nummer gezien en daarvan was ik niet al te zeer onder de indruk. Maar ik zou het zeker een eerlijke kans geven en een abonnement nemen als er ook een digitale editie was – het papieren tijdschrift is door de portokosten nogal duur voor wat het biedt, vind ik.

Vijf publieksbladen over taal dus, en allemaal komen ze uit het Germaanse taalgebied, als ik die term in dit verband mag gebruiken. Niets in het Frans, Spaans of Italiaans, geen Poolse publicatie, geen Macedonisch magazine, niet één Bulgaars blaadje. Of nauwkeuriger gezegd: niet dat ik weet. Maar er zal toch wel íéts zijn? Ik bedoel, de Romaanse en Slavische contreien van ons werelddeel zijn zo uitgestrekt, daar zullen ze het toch ook niet helemaal zonder iets in deze trant willen stellen?

Daarom deze vraag aan de lezer: als je ergens iets als Onze Taal of Babel bent tegengekomen, zou je het me dan even willen laten weten? Ik zou dat enorm op prijs stellen.

Geplaatst in taal algemeen | Tags: , | 3 reacties

Herfsttij

Etymologisch gezien is de herfst een paradoxaal seizoen.
De oudste betekenis van het woord is ‘oogsttijd’. Het Engelse harvest is zelfs ‘oogst’ gaan betekenen. Beide woorden zijn verwant aan (niet afgeleid van!) het Latijnse carpere ‘plukken’ – niet alleen de diem ‘dag’, maar ook gewoon fruit en dergelijke.
Het woord seizoen daarentegen is ontstaan uit het Latijnse satio, dat ‘het zaaien’ betekent (en daar ook aan verwant is). Sloeg herfst aanvankelijk op de oogsttijd, zo had seizoen dus ooit betrekking op de zaaitijd.
Ik weet weinig van het boerenbedrijf, maar dat er een flinke tijdspanne moet verstrijken tussen zaaien en oogsten, lijkt me duidelijk. Vandaar: de herfst is een paradoxaal seizoen.

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: | Plaats een reactie

Na bijna een eeuw een veel betere Thei

ValkenburgDit wordt een enthousiast stukje, en wel over een dialectwoordenboek: De Vallekebergsen Dieksjenaer. Het beschrijft het dialect van Valkenburg aan de Geul en omliggende dorpen, en dat doet het in een aantal opzichten op een bijzonder goede manier.

Nu zal mijn enthousiasme voor een deeltje voortkomen uit persoonlijke omstandigheden. Mijn opa sprak Valkenburgs, mijn vader tot op zekere hoogte ook, in de inleiding tot het boek komen enkele mensen voor die ik heb gekend en bovendien wordt er volop geciteerd uit het vorige Valkenburgse woordenboekje (1917), samengesteld door mijn verre familielid Theodoor (‘Thei’) Dorren. Maar zoals gezegd: het lijkt me ook gewoon een goed dialectwoordenboek, met een paar kenmerken die ik nog niet eerder ben tegengekomen.

Misschien wel het leukste vind ik dat de makers een poging hebben gedaan om taalverandering te ‘vangen’. Daartoe hebben ze – uiteraard enigszins willekeurig – de twintigste eeuw in drieën geknipt. De code O oftewel ‘oud’ duidt woorden aan die alleen gangbaar zijn bij vóór 1933 geboren Valkenburgers, M slaat op de ‘middengeneratie’, geboren tussen 1933 en 1966, J op de jongere generatie. Ze baseren zich daarbij op uitvoerig veldwerk, om het zo maar te noemen.

Voor een deel is de woordenschat, voorspelbaar genoeg, aan het vernederlandsen. Waar de O-generatie nog inverstjange zei tegen ‘eens, akkoord’, drukken de generaties M en J – inmiddels bijna iedereen dus – dit uit als eins. Het woord ouwer voor ‘leeftijd’ is nog gangbaar bij M, maar niet meer bij J – die zegt laeftied. Het lexicon vernederlandst, de fonologie niet: een bekend patroon.

Niet dat de klanken stabiel zijn. Het verbaasde me juist hoeveel er op dat gebied is veranderd, zonder dat ze nou per se Nederlandser worden. ‘Gemakkelijk’ was voor de generatie O gemaekelek, voor M gemekelek en voor J gemekkelek. Oftewel: van [èè] (als in blèren) naar [ee] naar [e]. Een vreemde ontwikkeling, want als ik het goed zie is de mond eerst een beetje dicht gegaan, en in de generatie daarna juist verder open, maar wel kórter. Misschien is het wel een kwestie van regionale beïnvloeding, want ik meen dat alle drie de uitspraken in naburige plaatsen gangbaar zijn. (Gemekelek klinkt me Maastrichts in de oren,  gemekkelek  Margratens en oostelijker, gemaekelek ietsje noordelijker – maar ik laat me graag corrigeren door lezers met recentere ervaring dan de mijne.)

Een ander sterk punt van den dieksjenaer zijn de precieze uitspraakaanwijzingen. In twijfelgevallen wordt niet alleen de lengte van klinkers aangegeven, maar zelfs staat bij elke lettergreep of die met een stoot- of sleeptoon uitgesproken moet worden. In andere Limburgse woordenboeken die ik ken (ik ken ze overigens lang niet allemaal), gebeurt dat niet, terwijl die toon wel degelijk betekenisonderscheidend is: besjete betekent bijvoorbeeld ‘beschieten’ of ‘bescheten’, al naar gelang de toon. (Zie ook deze oudere blogpost.)

Ten slotte scoort het boek ook behoorlijk goed op uitvoerigheid en gebruiksgemak. Voorin staat een grammatica, achterin staan korte hoofdstukjes over het dialect van omliggende dorpen en een uitvoerig register dat in feite als een Nederlands-Valkenburgs woordenboek dienst kan doen, en de afzonderlijke lemma’s zijn overzichtelijk en rijkelijk voorzien van voorbeeldzinnetjes.

Valt er dan niets aan te merken op De Vallekebergsen dieksjenaer? Ik kan eigenlijk alleen maar een beetje mopperen op twee aspecten van de gekozen spelling. De voornaamste misser is in mijn ogen het besluit om een ongebruikelijk teken toe te voegen aan de semi-officiële ‘Veldeke-spelling’: de makers hebben de gebruikelijke medeklinkercombinatie gk (voor de g van goal) vervangen door de ǧ, óók daar waar die door eindklankverscherping als [k] klinkt. Dat levert rare woordbeelden als möǧǧe ‘muggen’ op. Ze hebben dit gedaan om dezelfde medeklinker te kunnen gebruiken zowel tussen klinkers als aan het woordeinde: ‘muggen’ is in de gangbare spelling mögke, ‘een mug’ ’n mök, in dit boek möǧǧe en möǧ. Maar bij woorden als doeve ‘duiven’ en doaze ‘dozen’ verandert de medeklinker net zo goed, in het Valkenburgs én in het Nederlands: doef  ‘duif’, doas ‘doos’. De Turks aandoende ǧ was dus echt niet nodig geweest.

Verder is het vreemd dat de spelling van de titel in strijd is met de spellingregels die het boek voor de rest hanteert: net zoals het dialectwoord voor ‘valkenjacht’ staat gespeld als valkejach, zo had ‘Valkenburgs’ gewoon Valkebergs moeten zijn.

Maar ach, dat zijn kleinigheden. Het Valkenburgs woordenboek is een geslaagd project. En voor mij persoonlijk enigszins confronterend: in nogal wat gevallen blijk ik (*1965) woorden of woordvormen te gebruiken waar M bij staat. Deels zal dat een lokaal verschil zijn, want ik spreek een iets ander dialect. Maar ik vrees toch ook dat mijn individuele Limburgs inmiddels aardig gedateerd begint te raken.

****

‘De Vallekebergsen Dieksjenaer’ (687 blz.) is voor € 19,95 te bestellen via  svd.vadg@gmail.com.

Geplaatst in boeken e.d., Nederlandse taal | Tags: , , | Plaats een reactie

De inheemse talenknobbel

In sommige delen van de wereld is het gangbaar dat mensen vier-, vijf- of nogmeertalig zijn. Ik herinner me voorbeelden uit Noord-Australië en Kameroen, maar ook in sommige andere gebieden waar veel kleine talen op een kluitje zitten zal het wel voorkomen, zoals in grote delen van Afrika en Nieuw-Guinea. Een interessante vraag is dan: hoe kan het dat die mensen een prestatie leveren die voor de meeste westerlingen bijna onvoorstelbaar is? En ook: leveren ze die prestatie eigenlijk wel?

In Noord-Australië komen veel  taalfamilies voor, die elk weer uit meerdere, steevast kleine talen bestaan.

In Noord-Australië komen veel taalfamilies voor, die elk weer uit meerdere, steevast kleine talen bestaan.

In Europa spreken de meeste mensen alleen maar hun moedertaal en Engels, en als Engels hun moedertaal is, spreken ze er (dus) maar één. Drietaligheid komt ook voor, maar onder een minderheid (tenzij we een rudimentaire vaardigheid al meetellen). Meer-dan-drietaligheid is uitzonderlijk.

Is de situatie in die Afrikaanse, Australische enzovoort gebieden wezenlijk anders? In een aantal opzichten zeker wel. Als je in je dagelijks leven meerdere talen nodig hebt, dan leer je die wel spreken. (Over lezen en schrijven heb ik het hier niet; de meeste talen worden nauwelijks geschreven.) Maar hoe goed? Ik kan me drie modellen voorstellen, en ik heb werkelijk geen idee welk daarvan de werkelijkheid het best of het vaakst benadert.

Model 1. De inheemse polyglotten komen al op jonge leeftijd met diverse talen in aanraking en leren die ook. Ze worden daardoor erg goed in het leren van talen – veel beter dan de meesten van ons – en besteden bovendien relatief veel van hun tijd en aandacht aan deze taak. Uiteindelijk torenen hun taalvermogens  gemiddeld ver boven de onze uit – sowieso in vreemde talen, maar wie weet zelfs ook in hun moedertaal.

Model 2.  Ze leren diverse talen, maar de meeste daarvan zijn vrij nauw verwant aan hun moedertaal, zodat de ‘leerlast’ niet al te groot is. (Dit geldt niet als ze ook een Europese taal als Engels of Frans leren.) Bovendien is de grammatica van niet-geschreven talen weliswaar vaak complex, maar ze hebben een kleiner aantal woorden en veel minder idiomatische uitdrukkingen en vaste woordcombinaties dan talen met een literaire traditie en talrijke gebruiksdomeinen in een complexe samenleving. (Dit laatste is een aanvechtbare stelling – ik ben benieuwd of hier onderzoek naar is gedaan.) Al met al spreken de polyglotten inderdaad meerdere talen goed, maar dit is een minder grote prestatie dan het goed beheersen van hetzelfde aantal talen mét een literaire traditie en veel domeinen, zoals Frans, Hindi of Chinees.

Model 3. Ze spreken hun vreemde talen op een veel lager niveau dan moedertaalsprekers: aanzienlijk kleinere woordenschat, subtiele grammaticale fouten, misschien een afwijkend accent. Ze kunnen dus wel soepel de gesprekken voeren die ze nodig hebben, maar hun ‘opgetelde taalkennis’ (hoe moeilijk dat begrip waarschijnlijk ook te meten valt) is niet per se groter dan die van pakweg een Vlaming die behoorlijk Engels en Frans spreekt. Maar omdat hun gesprekspartners doorgaans op deze zelfde manier meertalig zijn, is men over en weer toleranter voor onvolmaakte taalbeheersing dan we in Europa gewend zijn.

Om verontwaardigde reacties te voorkomen, wil ik nog even benadrukken wat ik allemaal niet beweer. Ik suggereer niet dat schriftloze of kleine of inheemse talen ‘primitief’ zijn. Ik denk niet dat wij, Nederlandstaligen, ze makkelijk zouden kunnen leren – integendeel zelfs. Ik heb ook niet het idee dat ze principieel ongeschikt zouden zijn om als onderwijs- of bestuurstaal te dienen, al zullen ze de daarvoor benodigde woordenschat op dit moment nog niet bezitten. En ik besef ook dat deze talen meer dan genoeg woorden hebben voor allerlei verschijnselen die in hun omgeving relevant zijn, van plantensoorten tot verwantschapsverhoudingen.

Dat gezegd hebbende blijf ik nieuwsgierig of veeltaligheid in Noord-Australië, Kameroen en soortgelijke gebieden een even imposante prestatie is als die van de zeldzame Europeaan die een flink aantal talen goed beheerst (model 1), of dat het met die inheemse talenknobbel zo’n vaart nou toch ook weer niet loopt (model 2 en 3).

****

Deze blogpost is eerder verschenen op Neder-L.
Als je dit onderwerp interessant vindt, kan ik het werk Peter Trudgill en Nicolas Evans aanbevelen – en laat je niet afschrikken door de oersaaie titel van Trudgills boek!

Geplaatst in vreemde talen | Tags: , , , , | 2 reacties

Zou-d-ie dat nou menen?

browser-IE-iconAls het onderwerp je achter de persoonsvorm staat, in geval van inversie dus, valt de t weg: je valt, maar val je. Bij hij daarentegen kan inversie juist een extra t opleveren. Een onbeklemtoond hij wordt uitgesproken als ie wanneer het achter de persoonsvorm of in een bijzin verschijnt: weet-ie wel dat-ie leeft? We zetten dat zelden zo op papier, want om de een of andere reden heeft de schrijftaal een afkeer van ie. (Waarom eigenlijk?) En in veel gevallen zeggen we niet ie, maar zetten we daar nog een klank vóór: vaak een t, geregeld een d.

Ik vermoed dat die t afgeleid is van de werkwoordelijke vervoegings-t van de derde persoon enkelvoud, tegenwoordige tijd. Ik bedoel: omdat we een t zeggen in daar gaat-ie, zeggen we er óók een in dat las-t-ie en zelfs in ‘ik weet niet of-t-ie gaat’ (of hoe we dit ook willen spellen; ik laat me nu maar even inspireren door het Frans, met zijn y a-t-il). Wat deze neiging mogelijkerwijs  nog versterkt, is dat in veel bijzinnen vóór ‘ie’ óók een t staat, namelijk die van het voegwoord ‘dat’ en zijn varianten ‘omdat’, ‘voordat’ enzovoort: dat-ie leeft.

Dit lijkt misschien een vergezochte verklaring voor die tussen-t, maar in feite heb ik helemaal niet ver hoeven zoeken. In allerlei Duitse en Nederlandse dialecten duiken verdwaalde werkwoordsuitgangen op deze zelfde vreemde plek op. Als ik weer eens uit mijn eigen Limburgs mag putten: in de tweede persoon enkelvoud én meervoud is het verplicht om de werkwoordsuitgang bij inversie op deze bijzondere manier te gebruiken (mits dat fonologisch kan). In de tweede persoon enkelvoud (doe, de) is dat een -s, hetgeen zinnen oplevert als de vrouw die-s-te zuus en zèk mich wennië-s-te kums (‘de vrouw die je ziet’ en ‘zeg me wanneer je komt’). In het meervoud (geer, g’r; tevens de beleefdheidsvorm) is het een t: de vrouw die-t-g’r zeet en zèk mich wennië-t-g’r kómp (‘de vrouw die jullie zien/u ziet’, ‘zeg me wanneer jullie komen/u komt’).

Ik fluisterde zojuist tussen haakjes ‘mits dat fonologisch kan’ omdat de t in het Limburgs na bepaalde medeklinkers (namelijk na obstruenten) pleegt weg te vallen. Vandaar dat er vóór g’r geen t te horen is in zèk mich óf g’r kómp (kom zeg, ik blijf niet vertalen). Na andere medeklinkers of na klinkers (na sonoranten dus) is de t wel te horen (al wordt dat soms een k of p, net zoals een Nederlands *woningtje een woninkje wordt en een *boomtje een boompje).

Terug naar het Standaardnederlands, of preciezer: de standaardspreektaal van Nederland. Waarom zeggen we soms ‘ie’, soms ‘t-ie’ en soms ‘d-ie’? Dat eerste is makkelijk: we zeggen ie na een t-klank: weet-ie het?dat had-ie. En het verschil tussen die andere twee is ook geen hogere taalkunde. Het hangt namelijk opnieuw af van de voorafgaande medeklinker. En hé, het patroon blijkt vertrouwd! Na obstruenten zeggen we t-ie: daar liep-t-ie, alsof-t-ie, wat las-t-ie. Na sonoranten d-ie: daar ging-d-ie, nu-d-ie ziek is. Overigens wil ik niet doen alsof de verbindingsklank verplicht is, want dat is(-t)-ie niet. Het lijkt wel per geval te verschillen: nu-ie klinkt me raar in de oren, maar las-ie en las-t-ie zijn in mijn oren allebei acceptabel.

(Ik moet hier trouwens een stevig voorbehoud inbouwen: bij de beschrijving van de Limburgse én van de Nederlandse tussenklank ga ik uit van mijn eigen uitspraak. Zulke gevalletjes N=1 zijn behoorlijk riskant, ook in de taalkunde. Misschien doen andere sprekers het wel anders. En misschien heb ik onbewust mijn Nederlandse uitspraak gebaseerd op het mechanisme van mijn idiolect, mijn eigen privé-Limburgs. Ik ga het in de commentaren wel horen als dat zo is.)

Natuurlijk is er in het Nederlands nóg een systeempje waar d en t elkaar afwisselen: de verleden tijd van de zwakke werkwoorden. Je zou verwachten dat we in beide gevallen dezelfde regels zouden toepassen – wel zo consistent. Maar nee, we maken het extra ingewikkeld. Zwakke-werkwoordsstammen op -v, zoals zweven, krijgen in de verleden tijd de uitgang -de. Maar achter de verleden tijd van een sterk werkwoord met zo’n zelfde stam plakken we een t: gaf-t-ie. Vreemd. Ik vermoed dat het te maken heeft met de oorspronkelijke vorm: de verledentijdsuitgang had oorspronkelijk een d (verwant aan deed), terwijl ik hierboven al zei dat die tussenklank wel eens ontstaan zou kunnen zijn  uit de t-uitgang van de derde persoon enkelvoud.

****

Deze blogpost is eerder verschenen op Neder-L.

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , , | 3 reacties

Oud en niet zo oud plat

Opnieuw twee stukjes over het Limburgs, ditmaal kort en van etymologische aard.

Radau

In het Rijnland lijkt het woord Radau nog niet uitgestorven te zijn.

1. Van mijn vader ken ik het woord radou voor ‘lawaai’. Het staat ook in mijn stokoude Valkenburgse woordenboekje van Theodoor Dorren, daar gespeld als raddou. Ik spreek vrijwel nooit meer mensen uit Valkenburg en omstreken, dus ik weet niet of het nog wel eens gebruikt wordt door anderen dan ikzelf. In ieder geval voelt het als een oud, uitstervend woord, typisch zo’n archaïsch, voorouderlijk dialectwoord.

Het grappige is dat dat niet klopt. Het woord komt uit het Duits – Radau – en volgens mijn Duitse etymologische woordenboek is het een klanknabootsing (‘onomatopee’, zoals taalkundigen graag zeggen) die pas begin negentiende eeuw is opgetekend (‘geattesteerd’, zoals taalkundigen graag zeggen), en wel in Berlijn. Als het woord inderdaad daar ontstaan is, moet het dus stormenderhand het Duitse taalgebied veroverd hebben. Het woordenboekje van mijn lokaal beroemde naamgenoot dateert uit 1917 (mijn exemplaar uit 1928), dus kennelijk is het woord in een eeuw én helemaal van Berlijn naar de Nederlandse grens gesprint én, daar zelfs overheen springend, het Limburgs binnengedrongen. Radau moet echt hip zijn geweest in die dagen. En als mijn vermoeden klopt dat het woord in het Limburgs nu al weer veroudert, is het dus een eendagsvlieg geweest. Trouwens, ook in het Duits doet het inmiddels ouderwets aan, verzekert me een Duitse, wat heet, een Berlijnse bron. Zo gewonnen, zo geronnen – dat is het verhaal van radau/raddou/radou. Maar ik hoop dat ik me vergis, en dat het woord het uitstekend maakt, in ieder geval daar in het Geuldal.

2. Veel van de verschillen tussen het Limburgs en het Nederlands zitten ’m in de klinkers. Veel Limburgse dialecten (niet allemaal – het Maastrichts is in ieder geval een uitzondering) hebben met name meer tweeklanken, zoals twië voor ‘twee’, gróat voor ‘groot’, bleik voor ‘bleek’, huëre voor ‘horen’ en laupe voor ‘lopen’.

Nu ga ik er altijd van uit dat het Limburgs zich verder van het oude Germaans heeft weg-ontwikkeld dan het Standaardnederlands. Daar is geen reden voor; het is een volslagen ongegronde veronderstelling. En laatst ontdekte ik dat het voor in ieder geval één groep woorden ook beslist niet klopt, namelijk voor laupe en andere woorden die een /au/ hebben waar het Nederlands /oo/ heeft, zoals kaupe, zaum en baum. Die /au/ is namelijk de authentieke Germaanse klank, die ook bewaard is gebleven in het Duits. Bij laupe en kaupe is het Limburgs zelfs nog conservatiever dan het Standaardduits, dat immers de /p/ in een /f/ heeft veranderd. De Germaanse woorden waren hlaupan en kaupon.

Is dat iets om trots op te zijn? Natuurlijk niet. Maar mócht iemand de slecht geïnformeerde opmerking maken dat het Limburgs (of een andere streektaal) verbasterd Nederlands is, dan is dit een voorbeeld te meer om dat te weerleggen.

****

(Ik heb dit blogje geantedateerd om het meteen boven ‘Sjiek plat’ te plaatsen. In feite is dit op 9 januari 2013 toegevoegd.)

Geplaatst in Nederlandse taal, vreemde talen | Tags: , | 1 reactie

Drieschriftenpunten

(Klik voor grotere versie.)

(Klik voor grotere versie.)

Nederland heeft één drielandenpunt. Wereldwijd gezien zijn drielandenpunten nogal gewoontjes, al zou het kunnen dat de veel bezochte grenspaal bij Vaals de enige ter wereld is die tevens op het hoogste punt van een van de drie landen staat – ik heb het niet uitgezocht.

Onder de ongeveer 150 drielandenpunten die de wereld telt, bevindt zich heel discreet een select gezelschap dat een volstrekt triviale, maar opmerkelijke eigenschap deelt. Dat zijn de drieschriftenpunten, waar dus drie landen bij elkaar komen met elk een ander (dominant) schrift.

Onder het motto ‘als ik het niet doe, doet niemand het (en terecht)’ heb ik er een lijst van gemaakt. In Europa komen alleen op de Balkan twee drieschriftenpunten voor, en in heel Afrika tel ik er maar één (ervan uitgaande dat in Djibouti het Latijnse schrift overheerst). In de Amerika’s is er zelfs geen enkel, aangezien in alle landen het Latijnse alfabet dominant is. Azië daarentegen grossiert er juist in: 17 stuks.

De lijst is als volgt; tussen haakjes wordt, bij eerste vermelding, het schrift genoemd, niet de taal van het land. Als ik er een over het hoofd heb gezien, hoor ik het graag.

Afrika:

  • Soedan (Arabisch) – Zuid-Soedan (Latijns) – Ethiopië (Ge’ez oftewel Ethiopisch)

Europa:

  • Griekenland (Grieks) – Albanië (Latijns) – Macedonië (cyrillisch)
  • Griekenland – Bulgarije (cyrillisch) – Turkije (Latijns)

  West-Azië:

  • Turkije – Georgië (Georgisch) – Armenië (Armeens)
  • Azerbeidzjan (Latijns) – Georgië – Armenië
  • Georgië – Azerbeidzjan – Rusland (cyrillisch)
  • Armenië – Azerbeidzjan – Iran (Arabisch). Deze drie landen delen twee drieschriftenpunten, als gevolg van de Azerbeidzjaanse exclave Nachitsjevan.

 Midden-Azië

  • Oezbekistan (Latijns) – Tadzjikistan (cyrillisch) – Afghanistan (Arabisch)
  • Tadzjikistan – Afghanistan – China (Chinees – ik reken Tibet, dat een eigen schrift heeft, niet als een apart land)
  • Pakistan (Arabisch) – India (Devanagari) – China

 Zuid- en Zuidoost-Azië

  • India – China – Bhutan (Tibetaans). Ook deze landen delen twee drieschriftenpunten, aangezien Bhutan helemaal tussen zijn grote buren ingeklemd ligt.
  • India – China – Birma (Birmees)
  • Birma – China – Laos (Lao)
  • China – Laos – Vietnam (Latijns)
  • Birma – Laos – Thailand (Thai)
  • Thailand – Laos – Cambodja (Khmer)
  • Laos – Cambodja – Vietnam

 Oost-Azië

  • China – Noord-Korea (Hangul) – Rusland

Ten slotte nog enkele bijzonderheden: het Hebreeuwse schrift grenst uitsluitend aan het Arabische;  het Japanse en het (Sri Lankaanse) Singalese schrift grenzen aan geen enkel ander. Daarnaast bestaan er vele schriftsystemen die in geen enkel land de eerste viool spelen, zoals het Mongoolse en het Tifinagh.

***

Naschrift: met Bhutan, Noord-Korea, Azerbeidzjan en Laos is ook iets bijzonders aan de hand.
* Bhutan heeft (twee) buurlanden met elk een ander schrift, dat bovendien afwijkt van dat van Bhutan zelf.
* Noord-Korea heeft drie buurlanden met elk een ander schrift, maar in een van die drie (namelijk Zuid-Korea) is dat hetzelfde als in het land zelf. Mochten  beide Korea’s ooit herenigd worden, dan komt het land in dezelfde situatie te verkeren als Bhutan.
* Azerbeidzjan heeft maar liefst vijf buurlanden met elk een ander schrift: Georgië, Armenië, Iran, Rusland en Turkije. De nationale talen van Azerbeidzjan en Turkije zijn niet alleen nauw verwant, maar worden tegenwoordig ook beide in het Latijnse alfabet geschreven.
* Laos spant de kroon. Het heeft eveneens vijf buurlanden met elk een ander schrift: China, Vietnam, Birma, Cambodja en Thailand. Maar dan heeft Laos ook nog eens een keer zélf een ander alfabet.

Geplaatst in vreemde talen | Tags: , | 6 reacties

Weg met dit homofone paar

Je hebt ze niet elke dag nodig, maar toch, exotische woorden zijn het nou ook weer niet: pallet, palet en pellet. Het eerste is een houten laadplaat, het tweede een houten verfplankje en het derde (het minst bekende, denk ik) een hard bolletje, bijvoorbeeld van ijzererts of hout.

Voor Nederlanders én Vlamingen kan dat ingewikkeld zijn, omdat er homofone paren bij zitten (die hetzelfde klinken, dus). Maar als een Vlaming en een Nederlander met elkáár spreken, wordt het helemaal een crime, want ik begrijp van mijn Vlaamse Twittercontacten dat zij het woord anders uitspreken dan wij in Nederland doen.

Over de uitspraak van palet en pellet zijn noord en zuid het wel eens. Palet is met een a, en doordat de klemtoon achteraan ligt, klinkt de a vrijwel altijd kort. Pellet heeft de klemtoon op de eerste lettergreep, waardoor de tweede e een sjwa wordt (de e van de dus).

Lastig wordt het bij het woord pallet. Want Nederlanders spreken dat uit als ‘péllet’, maar Vlamingen (altijd? allemaal? ik weet het niet) als ‘pallét’. Noord en zuid zeggen het dus verschillend, maar beide uitspraken vormen ook nog eens een homofoon paar: in Nederland met pellet, in België met palet.

Homofone paren zijn nauwelijks te vermijden, maar dit loopt de spuigaten uit. Zullen we de pallet maar een laadbord of laadplaat gaan noemen, zoals Van Dale oppert? Niet uit purisme, maar om elkaar nog een beetje te verstaan?

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , , | 10 reacties

Nederlands-Belgische dubbelplaatsnamen

Omdat volstrekt triviale kwesties een mens (en zijn Twitteromgeving) soms in hun greep kunnen krijgen, hierbij een lijst van plaatsnamen die zowel in Nederland als in België voorkomen:

  • Aalst
  • Beek
  • Berg (ook in diverse andere landen)
  • Bergen (vertaling van de Franse naam Mons; ook in Duitsland en Noorwegen)
  • Brakel (ook in Duitsland)
  • Deurne
  • Essen (ook Duitsland)
  • Halle (ook Duitsland)
  • Haren (ook Duitsland)
  • Hasselt
  • Heide (ook in Duitsland)
  • Heikant
  • Heukelom
  • Heurne
  • Heusden
  • Den Hoorn
  • Hulst
  • Houthem (in Wallonië)
  • Kessel (ook in Duitsland)
  • Kortrijk
  • Laar (ook in Duitsland)
  • Leuven
  • Mechelen
  • Meeuwen
  • Middelburg
  • Nieuwpoort
  • Oude Kerk
  • Paal
  • Putte
  • Tongeren
  • Walem
  • Weert
  • Westkapelle
  • ’t Zand
  • Zevenhuizen
  • Zwijndrecht

Daarnaast zijn er een paar namen die hetzelfde klinken, maar in Nederland anders gespeld worden (of in België, zou je kunnen zeggen, maar in Vlaanderen zijn de plaatsnamen aangepast aan de spellingregels van onze taal, dus Nederland is de spelbederver):

  • Berghem – Berchem
  • Eisden – Eijsden
  • Houtem – Houthem
  • Lo – Loo
  • Mechelen – Megchelen
  • Sint-Andries – Sint Andries
  • Sint-Kruis – Sint Kruis
  • Stokkem – Stokhem – Stokkum

Verder zou je kunnen twisten over koppels als Asse en Assen, Kapelle en Kapellen, Beringe en Beringen.

Aanvullingen en correcties welkom!

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , | 20 reacties

Krabbelaars

Ik snap signeren niet. Althans, ik dacht dat ik het snapte, maar mijn idee blijkt niet te kloppen. Als lezers een auteur erg bewonderen, vermoedde ik, vinden ze hun boek nog waardevoller als hij (of zij natuurlijk) er iets persoonlijk in gezet heeft: zijn naam, of misschien zelfs iets wat met een merkwaardig woord een ‘opdracht’ heet. Net zoals sporthelden en filmsterren dat vaak gevraagd wordt om te doen op foto’s, cd-hoezen of lichaamsdelen.

Maar zo zit het niet.

Nu ik zelf voor het eerst sinds een hele tijd weer eens een boek heb uitgebracht, krijg ook ik soms verzoeken om een exemplaar te signeren. Nu zou het natuurlijk kunnen dat er mensen zijn die, zonder dat ik dat weet, mijn werk bewonderen en op grond daarvan zelfs mij – ja, ik heb aanwijzingen dat zulke mensen er zijn. Alleen, dat zijn niet de personen die me om een krabbel op het titelblad vragen.

Degenen die wel langs hun neus weg zeggen: “Goh, zou je het misschien ook willen signeren?” – en zonder ironie, want als ik beleefd lach en het zo onopvallend mogelijk achterwege laat, gaan ze aandringen – dat zijn mensen uit mijn directe sociale omgeving. Mensen die ik dit jaar nog vaker ga zien, mensen die een aantal van mijn onhebbelijkheden kennen, mensen die weten dat ik werkend aan dat boek af en toe minder sociaal gedrag vertoonde, mensen kortom die weinig reden hebben om mij meer te bewonderen dan pakweg zichzelf, mijn hoogstaande vriendin of bekende individuen die bijzondere en nuttige prestaties hebben geleverd. En dat zullen ze ook wel niet doen. Maar waarom staan ze dan toch op die signatuur? (En ze krijgen hem ook, hoor, want ik wil dolgraag dat ze mijn boek inderdaad kopen. Niets menselijks is mij immers vreemd.)

Misschien is het gewoon iets in mijn karakter waardoor ik het niet snap. Ik heb wel eens een werkelijk fantastische cd gekocht van een kennis (Truth be told van Leine), en ik heb wel eens een tijd staan praten met een van mijn culturele helden, Maarten van Roozendaal. Met de door mij hoog gewaardeerde taalkundige en schrijver Guy Deutscher wissel ik heel af en toe wat mailtjes uit. Maar een gesigneerd album of boek vragen – ik kom zelfs niet op het idee. Ik heb ook wel eens een tweedehandsje gekocht waar een signatuur van de auteur in bleek te staan. Het stoorde me nog net niet dat er in het boek gekliederd was, maar dat was het dan ook wel. En zou ik wél radslagen hebben gemaakt als het niet de relatief obscure Brian Clegg was geweest, maar een coryfee als David Crystal, Steven Pinker of – stel je voor! – Noam Chomsky? Ik betwijfel het ten zeerste, en niet alleen bij gebrek aan lenigheid.

Kortom: wat mankeer ik? Of beter gezegd, want dit is een onoprechte, kokette vraag die ik beter kan vervangen door wat ik echt wil weten: wat is de charme van de handtekening? En welke mij ontbrekende eigenschap heb je nodig om die op waarde te schatten?

****

Deze blogpost is eerder verschenen, en door lezers becommentarieerd, in het digitale tijdschrift Neder-L.

Geplaatst in boeken e.d. | Tags: , | 7 reacties