Kleine inleiding tot de vergelijkende rijmkunde

Het is niet eerlijk: in sommige talen kun je amper je mond opendoen zonder te rijmen, in andere talen is het zwoegen om rijmkoppels te vinden. Hoe hebben liedtekstschrijvers en traditionele dichters dat opgelost?Laat ik eerst even toelichten dat ik het hier over volrijm heb, het klassieke type dat we in het Nederlands meestal kortweg ‘rijm’ noemen: denken  – schenkenSinterklaas – pieterbaas, dat werk. Daarvan is sprake als de laatste beklemtoonde klinker én alle daarop volgende klanken van de rijmwoorden gelijk zijn, terwijl de medeklinker ervóór juist verschillend is; ik sla nu even wat complicaties en subtiliteiten over.
Lees verder

Geplaatst in Nederlandse taal, vreemde talen | Tags: | 2 reacties

De naam van het vak

Natuurkunde, scheikunde en wiskunde vind ik mooie woorden, en ik geloof dat de beoefenaars – voorzover ze zich daar druk over maken – dat ook wel vinden. De natuurkunde behoort, samen met de scheikunde en nog een paar andere, tot de natuurwetenschappen, maar ze valt daar dus niet mee samen. De natuurkunde heet ook wel eens fysica, vooral in vaste samenstellingen: kernfysica, bijvoorbeeld. Maar kernfysici vinden het prima als iemand hen natuurkundigen noemt, want dat zijn ze ook.

Onder hen die de taal als wetenschappelijk onderzoeksobject hebben, is dit soort vanzelfsprekend zelfvertrouwen op het gebied van naamgeving ver te zoeken. Van oudsher heet hun onderzoeksterrein ‘taalkunde’, wat mooi past in een eerbiedwaardig rijtje – denk ook aan sterrenkunde, geneeskunde en aardrijkskunde. Maar ik hoor dat woord uit de mond van de betrokkenen maar zelden meer, en drie andere termen des te vaker.

Ik vermoed dat er over deze kwestie al vaker gesproken is, maar ik ken de discussie niet en ik wil hem ook nog even niet kennen. Ik wil als taaljournalist, zonder te weten wie zich in welke naamgevingsloopgraaf heeft verschanst en waarom, vrijuit kunnen zeggen welke indruk de verschillende woorden op mij maken.

Een ronduit malle aanduiding vind ik ‘taalwetenschappen’. Die is op twee manieren te interpreteren. Ten eerste als een groep van wetenschappen, net als natuurwetenschappen (zie boven) en menswetenschappen (psychologie, sociologie, pedagogie enzovoort). Daarmee trekt het vak natuurlijk een te grote broek aan. Het bestaat weliswaar uit onderdelen (zoals historische, vergelijkende en theoretische taalkunde bijvoorbeeld), maar dat geldt voor pakweg natuurkunde ook (mechanica en vastestoffysica bijvoorbeeld). Als we een linneaanse classificatie van de wetenschappen maken, staat de taalkunde waarschijnlijk op één hoogte met de natuurkunde of de sociologie, niet met de natuurwetenschappen.

Je zou ‘taalwetenschappen’ ook kunnen zien als thuishorend in één rijtje met vrijetijdswetenschappen en mediawetenschappen. Dat zijn niet zozeer klassieke zelfstandige disciplines als wel moderne multidisciplinaire aspectstudies, net als vrouwenstudies en vervoerskunde. Als het woord ‘taalwetenschappen’ zo bedoeld is, doet het vak zichzelf tekort.

Het woord ‘taalwetenschap’, in het enkelvoud, is al minder raar, en in ieder geval lekker duidelijk (net als het Duitse Sprachwissenschaft). Alleen, ik kan niet ontdekken wat het voordeel boven ‘taalkunde’ zou zijn. Het is langer (nadeel) en heeft vermoedelijk een kortere geschiedenis (nadeel). Het is ook niet wat de buitenwereld zegt (groot nadeel), want die spreekt nog steeds van ‘taalkunde’. Is het soms bedoeld om te benadrukken dat taalkunde een volwaardige tak van wetenschap is, met echte onderzoekers en heuse kennis? Ik hoop toch niet dat een vak dat Panini, de Saussure en Chomsky tot zijn coryfeeën mag rekenen, daar behoefte aan heeft, zeg. Te meer omdat zo’n naamsverandering (vergelijkbaar met het omdopen van gastarbeiders in migranten en die weer in allochtonen) geen maatschappelijk effect heeft – volgens de taalkunde zelve. Maar wat is de reden dan wel?

De derde variant is ‘linguïstiek’. Dat is natuurlijk een internationalisme waar weinig op aan te merken valt – behalve dat het een moeilijker woord is dat lang niet iedereen kent. Dat meer specialistische termen als ‘corpus-’ en ‘sociolinguïstiek’ de voorkeur krijgen boven de varianten met ‘taalkunde’, net zoals ‘kernfysica’ boven ‘kernnatuurkunde’, dat snap ik nog wel een beetje. Maar waarom corrigéérde een geïnterviewde mij toen ik haar als ‘klinisch taalkundige’ aanduidde – op licht gepikeerde toon zelfs? ‘Klinisch linguïst’ moest het zijn, vond ze – terwijl ze als behandelaarster nota bene werkt met mensen die moeite hebben met taal. De terechtwijzing riekte eerlijk gezegd een beetje naar zelfoppomping.

Ik blijf voorshands maar gewoon ‘taalkunde’ zeggen, totdat ik (wellicht in de commentaren hieronder) een goede reden hoor waarom een van de andere termen beter zou zijn. Het heeft ook wel iets moois, hoor, dat juist de táálkunde zo veel namen heeft. Maar voorlopig wantrouw ik de motieven een beetje.

***

Deze tekst is ook geplaatst op Neder-L, waar vervolgens enkele taalkundigen hun licht over de vraag hebben laten schijnen.

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: | Plaats een reactie

Ze kunnen nog schrijven, hoor

Vandaag heb ik voor het eerst een schrijfopdracht van universitaire studenten nagekeken. Een groep van merendeels taalkundigen moest korte stukjes over taal schrijven, die begrijpelijk en aantrekkelijk moesten zijn voor leken.

Ik had me schrap gezet. Ik zou niet versteld staan van slechte teksten: van fout gespelde woorden, stilistische zwakke zinnen, rommelig opgebouwde verhalen. Dat was verstandig van me, want nu vielen ze goed mee.

Zo bleken de elf schrijvers in rond de 5000 woorden tekst slechts één klassieke vervoegingsfout te hebben gemaakt: ‘het bereidde eten’. Verder vergat één persoon (tot twee keer toe – dat vond ik wel raar) een meervouds-n, in een zin als ‘de mensen hoopte’. Maar toch, negen personen spelden dus alle werkwoordsvormen goed. Sowieso spelden ze  heel behoorlijk – eigenlijk niet veel slechter dan de gemiddelde journalist, en ik kan het weten want ik redigeer vaak kopij.

Op het terrein van woordkeus rammelden veel teksten wat meer. Vreemde voorzetsels kwamen verrassend vaak voor: ‘dat stond op documenten’, ‘alle scholen uit Tanzania’, ‘ze kozen hem als president’ – van die dingen. En merkwaardige woorden, af en toe: landontzegging, verslechten, invoer in plaats van invoering. Daarnaast bezondigden nogal wat schrijvers zich aan wijdlopige academische zinnen. Een andere schoot juist door naar het andere uiterste en leek zich tot een brugklas te richten.

Het zwakste aan de stukken was de opbouw: verhalen met een kop en een staart en iets helders daartussen waren schaars. Gelukkig herinner ik me nog dat ik daar zelf als beginnend journalist vaak enorm mee geworsteld heb – en af en toe stiekem nog. De macrostructuur van een tekst is gewoon het moeilijkste aspect.

Al met al ben ik vandaag niet door cultuurpessimisme bevangen. Ik heb een paar leuke stukjes gelezen; voor verbetering vatbaar, zeker, maar aantrekkelijk geformuleerd, redelijk opgebouwd, kortom veelbelovend. En laat ik wel wezen: deze mensen beogen geen literaire of journalistieke carrière, maar hebben eenvoudigweg opdracht gekregen nu eens een keer anders te schrijven dan anders: laagdrempeliger, verleidelijker, beknopter. Dat een aantal van hen dat er heel aardig van afbrengt, vind ik eigenlijk al heel wat.

****

Samen met collega Astrid Smit heb ik aan studenten van prof. Pieter Muysken in Nijmegen een werkcollege gegeven over ‘toegankelijk schrijven over taal’.

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , | Plaats een reactie

De röntgenfactor

‘X-stralen’: zo noemde Wilhelm Conrad Röntgen het natuurkundige verschijnsel dat hij in 1895 ontdekte. Een bescheiden man, want anders had hij ze wel ‘röntgenstralen’ gedoopt. De term ‘X-stralen’ sloeg aan en iedereen zou ze nog steeds zo noemen, als de wetenschappelijke wereld een poosje later niet alsnog had besloten de Duitse wetenschapper te eren door zijn naam te verbinden aan zijn ontdekking. Zo kregen ze  officieel toch de naam die Röntgen uitdrukkelijk niet wenste.

In veel talen bestaan beide woorden nu naast elkaar, maar meestal is een van de twee verreweg het gangbaarst. En wel volgens een duidelijk patroon. In de landen die aan het begin van de twintigste eeuw een sterke culturele invloed van het Duitse taalgebied ondergingen, is ‘röntgenstralen’ de gangbare term: Scandinavië, Nederland en Midden- en Oost-Europa, inclusief Rusland. Hetzelfde geldt voor een aantal landen die door die regio beïnvloed zijn, zoals Indonesië, Israël en Kazachstan. In het Romaanse taalgebied daarentegen bleef ‘X-stralen’ de gangbare term. Ook in Roemenië, dat zich op taalgebied sterk op het Frans oriënteert, is de naam met X gangbaar gebleven, in afwijking dus van de andere landen in die regio.

Zoals gewoonlijk hangt het Engels weer eens tussen de Germaanse en Romaanse talen in: tegenwoordig is X-rays het gangbaarst, maar in het verleden was dat Röntgen (of roentgen) rays. Roentgenogram was zelfs tot in de jaren zeventig een gebruikelijke aanduiding voor ‘röntgenfoto’, zoals deze grafiek laat zien. Onder invloed van het Engels, Frans, Spaans en Portugees spreekt het grootste deel van de wereld nu van X-stralen. Zelfs in talen als Chinees, Japans, Koreaans, Arabisch en Perzisch, die geen letter x hebben, spreekt men van ‘iks-stralen’. (Opvallend genoeg zegt men in het Grieks niet Ακτίνες Ξ, de Griekse x, maar Ακτίνες Χ oftewel ‘ch’.)

Zo heeft Röntgen dus toch grotendeels zijn zin gekregen, maar uitgerekend niet in zijn vaderland (Duitsland) en niet in het land waar hij zijn jeugd doorbracht (Nederland). Als we hem écht zouden willen eren, zouden we de naam ‘X-stralen’ weer moeten invoeren.

Geplaatst in vreemde talen | Tags: | 6 reacties

De lijn tussen Romeinen en Germanen (2)

De taalgrens, dat is toch die streep dwars door België waar de Vlamingen en Walen altijd over steggelen? Klopt. Maar ook elders in Europa raken Romaanse en Germaanse taalgebieden aan elkaar, en overal is die grens al eeuwenlang in beweging. Tweede etappe: van de Vaalserberg naar de Matterhorn.

De taalgrens tussen Frans en Duits doorsnijdt op zijn route van noord naar zuid vier landen: België, Luxemburg, Frankrijk en Zwitserland. Maar het karakter van de grens is in al die landen heel verschillend.

In België is de Duitstalige Gemeenschap een dwerg in een toch al niet zo groot land: minder dan 1 procent van alle Belgen woont hier. Toch is het Duits een van de drie officiële talen van België. De overheid moet met de Oost-Belgen in hun eigen taal communiceren: zowel de Duitse Gemeenschap als het Waalse Gewest (waar de Gemeenschap toe behoort) als de federale overheid. Het zal lastig zijn om waar ook ter wereld een kleinere taalminderheid met zulke omvattende taalrechten te vinden.

En verderop, in Luxemburg? In het steenrijke groothertogdommetje is ‘taalgrens’ een onwezenlijk begrip. De dagelijkse omgangstaal, het Lëtzebuergesch oftewel Luxemburgs, was ooorspronkelijk niet meer dan een Duits dialect, maar sinds 1984 is het een van de officiële landstalen. Toch spreekt de overheid haar burgers nog steeds in het Frans toe, terwijl de kranten dat vooral in het Duits doen. De ‘grens’ tussen Romaans en Germaans valt hier dus samen met het land als geheel. Het evenwicht tussen het Frans en de twee Germaanse talen is instabiel: enerzijds worden er pogingen ondernomen om het Luxemburgs en het Duits een sterkere positie te geven; anderzijds zitten de talrijke Frans- en Portugeestalige migranten daar niet op te wachten.

Het volgende stukje echte taalgrens loopt niet ten zuiden van Luxemburg, maar ten westen ervan, in de Belgische provincie Luxemburg. In en om de hoofdstad daarvan (Aarlen, Arlon, Arel – A. op het kaartje) spreken de meeste mensen namelijk ook Luxemburgs. Deze minderheid heeft het slecht getroffen: enerzijds beschouwt de overheid hun taal nog steeds als dialect van het Duits, anderzijds behoren zij niet tot de Duitstalige Gemeenschap en hebben ze geen taalrechten. De inwoners van Aarlen en omstreken moeten een vreedzaam volkje zijn, dat ze deze aperte onrechtvaardigheid zo gelaten ondergaan. Op termijn zullen ze ongetwijfeld verfransen, zodat het Romaans hier dus een klein stukje terrein verovert op het Germaans.

Tussen Zuid-Luxemburg en Noord-Zwitserland ligt een strook Frankrijk die van oudsher eveneens Duitstalig was, en deels nog steeds is (op het kaartje onder aan deze pagina groen gearceerd). In het noordelijkste deel, Noordoost-Lotharingen, heeft het Frans het pleit al bijna gewonnen: alleen gepensioneerden spreken er nog het lokale Duitse dialect. In de Elzas daarentegen houdt men het Duits wat meer in ere. Van taalréchten is echter geen sprake: onbuigzaam centralistisch als Frankrijk is, gelooft het in één republiek met één taal. Een krankjorum idee, maar wel een dat vanzelf werkelijkheid wordt als je er maar lang genoeg naar handelt. ‘Een schurkenstaat op taalgebied’, is Frankrijk om deze reden onlangs genoemd.

Lijnrecht tegenover de Franse houding staat die van Zwitserland, al meer dan zeven eeuwen een bondsstaat. Alle 26 kantons hebben zich ooit vrijwillig erbij aangesloten, in het volle besef dat ze zouden moeten samenleven met anderstaligen. Er zijn Duitstalige ‘eilanden’ in Frans gebied (niet te zien op het kaartje, helaas), er zijn enkele tweetalige kantons en zelfs een drietalig, maar al hebben de taalgemeenschappen af en toe onenigheden, van onderdrukking, harde strijd of afscheiding is nooit sprake. Wat misschien helpt, is dat de centrale overheid gewoon niet zo veel te doen heeft. En dat zowel de Duitstalige meerderheid als de Franstalige minderheid intern net zo goed verdeeld zijn: tussen stad en platteland, tussen katholiek en protestants, en trouwens, iedereen die uit een ander dal komt is in beginsel niet te vertrouwen – landgenoot en vreemdeling tegelijk. Overigens is Zwitserland wel het enige land waar de Duits-Franse taalgrens een naam heeft: de Röstigraben ofwel ‘röstigracht’, genoemd naar het Duits-Zwitserse aardappelgerecht.

België, Luxemburg, Frankrijk en Zwitserland zijn dus allemaal meertalig. Maar België heeft dit probleem opgelost door zijn grondgebied te verkavelen (en op termijn waarschijnlijk zichzélf op te lossen), Luxemburg door alle burgers meertalig te maken, Frankrijk door de meertaligheid te ontkennen en Zwitserland door nauwelijks een land te zijn, maar een club met 26 leden die als het even kan hun eigen gang gaan. Ik schreef het al eens eerder, elders: alle eentalige landen lijken op elkaar, maar elk meertalig land is op zijn eigen manier meertalig.

De grens tussen het Duits en het Frans eindigt bij de Zwitserse plaats Zermatt, aan de voet van de Matterhorn. Althans… bijna. Acht eeuwen geleden, nog voor het ontstaan van Zwitserland, zijn mensen uit deze Duitstalige streek over de Theodulpas naar het zuiden getrokken, het dal van de Lys in, dat nu tot Italië behoort. Hun nazaten spreken er nog steeds een Duits dialect, zij het wel steeds minder. Eén dal verderop wordt een soort Frans gesproken, dus strikt genomen eindigt de Duits-Franse taalgrens … in Italië. Het Europese taallandschap heeft – als ik deze etappe oubollig mag afsluiten – altijd weer nieuwe verrassingen in petto.

In de laatste etappe: op naar Görz. Pardon, Gorica. Ook wel bekend als Gorizia. Of Gurize. Daarheen dus, en dan zelfs nog verder. (De vorige etappe staat hier nog te lezen.)

Geplaatst in vreemde talen | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

De lijn tussen Romeinen en Germanen (1)

De taalgrens, dat is toch die streep dwars door België waar de Vlamingen en Walen altijd over steggelen? Klopt. Maar ook elders raken de Germaanse en Romaanse taalgebieden elkaar, en overal is die grens al eeuwenlang in beweging. Een tocht langs deze lijn voert door een flink deel van Europa. Eerste etappe: van zee naar mijn overgrootmoeder.

Ten westen van België is de taalgrens helder, zou je denken: eerst dwars door het Kanaal, dat de Engelse ‘Germanen’ van de Franse ‘Romeinen’ scheidt, om dan bij De Panne in West-Vlaanderen aan wal te gaan. Maar zo simpel is het niet.
Want vlak voor de Normandische kust liggen de Britse Kanaaleilanden, die Jersey, Guernsey en wat klein grut daaromheen omvatten (zie de rode cirkel op de kaart). Het Franse dialect dat hier van oudsher wordt gesproken, weigert weliswaar koppig om de laatste adem uit te blazen, maar gezien de dominantie van het Engels ter plaatse ligt de taalgrens niet langer ten noorden, maar ten zuiden van deze eilanden.

In Frans-Vlaanderen, de noordpunt van Frankrijk, is juist het omgekeerde gebeurd. Werd hier eeuwenlang Nederlands gesproken, inmiddels komt het einde daarvan in zicht. Duinkerken is Dunkerque geworden (D. op de kaart), en ook in Zuydcoote en Wormhout kom je niet meer ver met Nederlands. Je treft er hoogstens nog wat grijsaards aan die een Vlaams dialect spreken – en dat is voor een Nederlander moeilijker te verstaan dan Frans.

Het volgende reisdoel is België, het land dat de taalgrens beroemd maakte. Lange tijd schoof die gestaag ‘naar boven’, tot hij in 1963 bij wet werd vastgelegd. Brussel (B. op de kaart), voorheen een Vlaamse stad, lag en ligt ten noorden van die lijn, maar is in de loop van de negentiende eeuw grondig verfranst. In 1963 werd de stad weliswaar officieel tweetalig verklaard, maar het Frans overheerst er nog steeds. Minder dan voorheen, dat wel: door de vele expats en immigranten heeft nog maar een krappe meerderheid van de inwoners Frans als enige moedertaal. Op straat zijn, nog meer dan in andere grote Europese steden, alle talen van de EU en omstreken te horen. Passend ook wel, voor de hoofdstad van een 23-talige politieke eenheid.

Loopt de taalgrens in België overwegend horizontaal over de kaart, in het oosten van het land slaat hij de hoek om en daalt af naar het zuiden. De lijn snijdt hier de provincie Luik in tweeën. Het grootste deel van Luik is Franstalig, een kleiner deel spreekt Duits, wat natuurlijk ook weer een Germaanse taal is. Maar ook in het officieel Franstalige gebied komen in feite Germaanse dialecten voor: wat men aan de Belgische kant van het Drielandenpunt spreekt, verschilt nauwelijks van het Limburgs aan de Nederlandse kant.
Een eeuw geleden was dit Limburgssprekende gebied zelfs nog groter. De plaats Aubel bijvoorbeeld (A. op de kaart), is nu Franstalig. Maar mijn overgrootmoeder, die daar geboren werd en opgroeide, heeft nooit anders dan Limburgs gesproken, noch in Aubel, noch in Valkenburg waar ze na haar trouwen woonde en in 1896 mijn opa baarde. De Aubelse familienamen getuigen nog van dat ‘Germaanse verleden’: in het vijfkoppige college van burgemeester en schepenen hebben op dit moment een Meurens, een Doorne, een Stassen en een Weerts zitting. Ook Martinussen, de naam van mijn overgrootmoeder, komt ter plaatse nog steeds voor.

België heeft zelfs nóg een stukje Romaans-Germaanse taalgrens, dat vrijwel niemand kent. Maar dat ligt pas op deel twee van deze tocht.

Geplaatst in vreemde talen | Tags: , , , , , | 9 reacties

Gezocht: taaltoeristische ervaringen

Als je belangstelling hebt voor taal, kom je op vakantie extra aan je trekken. Want juist dan hoor en zie je meestal andere talen om je heen dan in je leven van alledag.

Maar in één opzicht kom je juist niet aan je trekken. Want toeristische trekpleisters die iets met taal te maken hebben, zijn moeilijk te vinden. Reisgidsen kunnen nu eenmaal niet met elke liefhebberij rekening houden.

Om in die leemte te voorzien, ben ik een app aan het maken die talige bezienswaardigheden ontsluit. Waar ter wereld je ook bent, met deze app kun je op je telefoon of tablet zien waar iets van je gading te vinden is. Ik heb inmiddels tegen de duizend bezienswaardigheden verzameld, de meeste in Europa en Noord-Amerika, maar ook een flink aantal daarbuiten, van Argentinië tot Zuid-Afrika en China. Compleet met sterren: één ster voor aardigheidjes waarvoor je hoogstens een paar kilometer omrijdt, drie sterren voor prachtige attracties. En met een link naar aanvullende informatie op internet.

Om wat voor bezienswaardigheden gaat het dan?

Mijn vraag aan jou is nu: wat mag in deze app niet ontbreken? Aan welk museum of monument, aan welke plaats of streek bewaart de taalliefhebber in jou mooie herinneringen? Wat raad je aan, en waarom? Of eventueel het omgekeerde: welke bezienswaardigheid viel juist enorm tegen? En als je vindt dat ik een complete categorie over het hoofd heb gezien, hoor ik het óók graag.

Je kunt je informatie hieronder plaatsen, of stuur me een mailtje: taaltoerisme[at]gastondorren.nl. Ik verheug me op je reactie!

Geplaatst in taal algemeen | 43 reacties

Taal als familieaangelegenheid (1)

Een neef trouwt, oma wordt tachtig of een oom en tante vieren hun gouden bruiloft. In een gestreken overhemd en een jasje meander ik door het verzamelde gezelschap, kom handen en lippen tekort om te begroeten en te feliciteren en doe mijn best alert te blijven teneinde mij bij elk nieuw gezicht tijdig de juiste naam te herinneren.

Terwijl ik, zo feestelijk mogelijk converserend, van de ene nicht via de andere oom naar het volgende neefje zwerf, spookt voortdurend één vraag door mijn achterhoofd: is dít mijn familie? Mijn ouders, mijn zus, ja, de verwantschap tussen hen en mij is zichtbaar en merkbaar genoeg. Maar die schelle dame die boven alle geroezemoes uit trompettert, is dat míjn tante? Die broer en zus van vijftien en zeventien, hij in opleiding voor jonge god, zij voor Miss Universe, deel ík daar een kwart van mijn genen mee? En die fauteuilvullende, apathische gestalte in de hoek – is die echt niet aangetrouwd? Nee, da’s vaders broer.

Wanneer ik dit naderhand aan mijn ouders vertel, maken ze tegenwerpingen. Stel je die en die dunner voor, of jonger, of let op zijn kin, haar ogen – zie je de overeenkomst? Die oudoom, dat nichtje, heeft aanleg voor wiskunde, praat je de oren van het hoofd, is opvliegend, kijkt je nooit aan – net als, je weet wel.
Oké, goed, jullie kennen ze beter dan ik. Als jullie het zeggen, zal het wel. Maar op het eerste gezicht – werkelijk, de bezoekers van een willekeurig toneelstuk lijken meer met elkaar gemeen te hebben. Die houden tenminste allemaal van toneel.

Deze impressie van mijn familieleven – weliswaar genoteerd met weinig respect voor details, om het volgende feest niet bij voorbaat te vergallen – is niet alleen op mij en, vermoedelijk, u van toepassing. Ze beschrijft, mutatis mutandis, ook de verwantschapsverhoudingen van de Nederlandse taal. Dat het Duits, het Engels en de Scandinavische talen nauwe verwanten zijn, daar kijkt u niet van op. Het zijn zussen, zeg maar (of broers, maar taal is een vrouwelijk woord), en de overeenkomsten binnen deze Germaans geheten familie vallen al snel op.

Maar buiten dit ‘taalgezin’ zijn er in Europa nog veel meer verwanten te vinden. Sterker nog: laten we de voormalige Sovjet-Unie even buiten beschouwing, dan kunnen alle Europese nationale talen hun afstamming herleiden naar een gezamenlijke oermoedertaal, met uitzondering van het Fins, het Hongaars, het Maltees en, vooruit, het Turks. Dus ook het Grieks, ook het Pools en ook het Albanees: het zijn allemaal nichten, allemaal afstammelingen van de Indo-Europese oertaal.

En dan zijn er nog de achternichtjes van deze Europese talen, de verre familieleden van de ‘Indo’-tak, die pas eind achttiende eeuw als zodanig werden erkend: de meeste talen in een groot gebied van Zuidoost-Turkije tot Bangladesh.

*****

Dit is een passage (blz. 33-34) uit ‘Nieuwe tongen’, een boek dat ik in 1999 publiceerde. Een vervolgpassage (blz. 37) staat hier.

Geplaatst in taal algemeen | Tags: , | 3 reacties

Taal als familieaangelegenheid (2)

Naast de Indo-Europese bestaan er nog enkele tientallen andere taalfamilies, en allemaal hebben ze kenmerkende grammaticale eigenschappen – een soort familietics in woord- en zinsbouw – en een gezamenlijke basiswoordenschat. Hoe kan dat eigenlijk? Hoe komt het dat het woord voor ‘moeder’ op IJsland en in Bangladesh op elkaar lijkt? Hoe is het mogelijk dat een [basj] zowel in Istanbul als in het westen van China een ‘hoofd’ is? IJslanders lijken uiterlijk niet op Bengalezen en Turken evenmin op Oeigoeren, het bedoelde volk in West-China.

Hoe taalfamilies zich in de loop van duizenden jaren geschiedenis verspreiden, is spannender en ingewikkelder dan een detectiveroman, en meestal ook bloediger. Alle taalfamilies zijn ooit klein begonnen, als het taaltje van één volk, één stam, één clan misschien, woonachtig in een klein gebied, vele duizenden jaren voor het begin van onze jaartelling. (Of al deze taaltjes een gezamenlijke voorouder nog verder terug hadden of dat ze onafhankelijk van elkaar ontstaan zijn, is een omstreden vraag.) Vandaaruit bevolkten ze andere, onbewoonde streken of vestigden zich tussen andere stammen, vreedzaam dan wel gewapenderhand.

Hoewel tegenwoordig bijna de halve wereldbevolking een Indo-Europese taal spreekt, moet ook de oermoedertaal van deze familie ergens een bescheiden bakermat (soms wel op zijn Duits Urheimat genoemd) hebben gehad. De ligging ervan is nog steeds omstreden. Wie zich hierin verdiept, stuit op een scala van landkaarten met gekleurde vlekken (de bakermat) en robuuste pijlen (de routes naar elders). Maar daar houdt de overeenkomst op; de plaats van die vlekken en pijlen verschilt sterk. Al naar gelang aan welk archeologisch, taalkundig of genetisch bewijsmateriaal de auteur de meeste waarde hecht, komen de Indo-Europeanen oorspronkelijk uit Rusland, de Balkan of Anatolië (Turkije). Van degenen die deze laatste stelling ondersteunen, menen sommigen dat de Indo-Europeanen zowel zuidelijk als noordelijk om de Zwarte Zee heen zijn getrokken op weg naar Europa. Maar volgens anderen zijn ze éérst oostwaarts gegaan, waar zich de Indo-Iraanse tak heeft afgesplitst, en toen pas met een grote lus door Rusland naar Europa. En de theorie dat de Indo-Iraanse tak juist uít Rusland is gekomen, heeft eveneens aanhangers. Chaos, kortom.

*****

Dit is een passage (blz. 37) uit ‘Nieuwe tongen’, een boek dat ik in 1999 publiceerde. Het is als e-boek nog te koop

Geplaatst in taal algemeen | Tags: , , | 1 reactie

Het nut van vreemde talen

Een Zweedse toerist in Oekraïne voelt opeens hevige pijn in zijn hartstreek. Hij snelt op twee agenten af en zegt: “I need urgent help. Where is a hospital?”
De agenten kijken hem niet begrijpend aan.
“Ich brauche Nothilfe”, probeert hij. ‘Wo gibt es hier ein Krankenhaus?”
“Кранкенаус?”, herhaalt een van de agenten. “Я вас не розумію.” (Krankenaus? Ik begrijp u niet.)
“C’est un cas d’urgence”, roept de toerist vertwijfeld uit, terwijl de pijn in zijn borst nog toeneemt. “L’hôpital! Où est l’hôpital? ¿Dónde está el hospital? Sjukhus!”
De twee Oekraïners beginnen net geïrriteerd te raken door dit opgewonden kereltje, wanneer de Zweed kreunend in elkaar zakt en sterft. Waarop de ene agent tegen de ander zegt: “Бачиш, іноземні мови даремні.” (Zie je wel: vreemde talen, daar heb je niks aan.)

Geplaatst in taal algemeen | Plaats een reactie