De fijne nalatenschap van tweedetaalleerders

Waarom zijn Baskisch en Georgisch zo moeilijk en Engels, Spaans en Perzisch zo makkelijk? Taalkundige John McWhorter, auteur van What language is, is er gauw mee klaar, of althans zo gauw als deze breedsprakige schrijver kan: het komt door de tweedetaalleerders.

In het verre verleden hebben zulke grote aantallen volwassenen Oudengels, Oudspaans (Latijn dus) en Oudperzisch geleerd, dat ze die talen als het ware hebben overgenomen. Al lerend zetten ze allerlei complicaties overboord. Vooral de naamvallen, de woordgeslachten en allerlei werkwoordsvervoegingen moesten het ontgelden. De afgeslankte versies die zo ontstonden, werden de nieuwe norm. Vandaar dus dat hedendaags Engels, Spaans en Perzisch zo makkelijk te leren zijn.

Of nou ja, makkelijk – in de eeuwen sindsdien hebben de sprekers weer allerlei nieuwe complicaties gefabriekt. Maar toch, vergeleken met naaste verwanten die deze vereenvoudiging niet hebben doorgemaakt, zoals Duits en Pasjtoe, zijn het nog steeds studentvriendelijke talen. En helemaal vergeleken met oude, introverte zonderlingen als Baskisch en Georgisch, het tweetal waarmee ik hierboven begon. (Voor onderbouwing en precisering van deze visie verwijs ik naar het boek. Een lekker leesboek, want McWhorter mag dan veel woorden nodig hebben, hij schrijft toegankelijk en zeer onderhoudend.)

McWhorters betoog heeft me op een aantal gedachten gebracht. Sommige zullen hout snijden, misschien zelfs breed aanvaard zijn onder specialisten. Andere zullen wellicht onzin zijn. Ik leg ze hier graag aan jullie verzamelde deskundigheid voor, en ben benieuwd naar jullie kennis en meningen.

* De talen van ScandinaviĂ« (ik baseer me  nu vooral op  Noors en Deens; van Zweeds weet ik minder) zijn bijna even sterk vereenvoudigd als het Engels: vrijwel geen naamvallen meer, nog eenvoudiger werkwoordsvervoegingen dan het Engels en een beperking van het aantal woordgeslachten, zij het iets minder rigoureus: van drie naar twee. Maar is Scandinavisch dan ook ooit door grote aantallen volwassenen geleerd? Ja, ik geloof van wel: door vrouwen die in de vroege Middeleeuwen door Vikingmannen werden geroofd uit zuidelijker streken. En juist zij waren natuurlijk in de gelegenheid om hun ‘gebroken Scandinavisch’ door te geven, namelijk aan de kinderen die ze met die Noormannen kregen. Dit verschijnsel heeft zich op IJsland niet voorgedaan – en daar is het oorspronkelijke Scandinavisch dan ook verregaand bewaard gebleven.

* Eenzelfde vereenvoudiging heeft welbeschouwd ook het Nederlands doorgemaakt, in iets mindere mate: de naamvallen zijn in de spreektaal al eeuwen dood, de werkwoordsvervoegingen zijn flink vereenvoudigd en het aantal geslachten is van drie naar twee gedaald. Dat laatste geldt met name voor het Hollands, en dat lijkt me veelzeggend: juist Holland is al eeuwen een immigratiegebied, met een instroom van Vlamingen, joden, VOC-zeelieden uit allerlei landen, hugenoten en vast nog meer groepen waar ik nu niet aan denk. Zou dat kunnen verklaren waarom het Hollands meer ‘gestroomlijnd’ is dan andere dialecten – en als dominant dialect ook de standaardtaal vereenvoudigd heeft?

* Even terug naar ScandinaviĂ«: het moderne Noors, preciezer gezegd het BokmĂ„l, is grotendeels ‘vernoorst Deens’, ontstaan in de tijd dat Noren naast hun eigen Noorse dialecten ook het Deens van de overheersers leerden, van de late Middeleeuwen tot de Napoleontische tijd. Zou dat verklaren waarom de moderne Noorse meervoudsvorming veel regelmatiger is dan de Deense? Of zijn de Noorse dialecten op dit punt ook al regelmatig? Ik vermoed van niet, maar het zou kunnen.

* Europa vertoont op het gebied van naamvallen een opmerkelijke oost-westverdeling: in het westen hebben alleen een paar kleine taaltjes hun naamvallen behouden; in het oosten, beginnend in Duitsland, zijn de naamvallen nog springlevend. Je zou het ook anders kunnen zeggen: de traditionele zeevarende naties, met hun talrijke internationale contacten, hebben de naamvallen overboord gezet, de volken in de binnenlanden hebben ze behouden. Wel is het ĂĄĂĄntal naamvallen in het oosten hier en daar kleiner geworden, namelijk in het Jiddisch en in de talen van de Balkan. Ik kan dit niet nauwkeurig met een bepaald historisch moment verbinden, maar zeker is dat zowel de Midden- en Oost-Europese joden als de Balkanbewoners eeuwenlang twee- of meertalig zijn geweest. Fases waarin een grote groep volwassenen zich een nieuwe taal moest eigen maken, kunnen zich dus makkelijk hebben voorgedaan; bij de joden bijvoorbeeld toen ze zich in het Rijngebied vestigden.

Ik herhaal: laat de weerleggingen, de bijval en de aanvullingen maar komen!

Naschrift: de Scandinavische talen zijn hun naamvallen en dergelijke pas in de late Middeleeuwen kwijtgeraakt, dus de hierboven genoemde verklaring kan niet kloppen. Jammer; ik vond hem zo elegant!

Geplaatst in Nederlandse taal, taal algemeen, vreemde talen | Tags: | 16 reacties

De bolwerken van ‘het’

Het lidwoord het kan inderdaad verdwijnen, beweerde ik in mijn vorige blogpost. Maar het is natuurlijk óók denkbaar dat er uitzonderingen overblijven. We gebruiken tenslotte ook nog steeds oude naamvalsvormen zoals destijds, inderdaad en ter zake, hoewel het naamvalssysteem dood en begraven is (persoonlijke voornaamwoorden uitgezonderd). Ik zie vier kandidaten voor die uitzonderingspositie:

1 Zeer frequente woorden als ‘ding’ en ‘huis’. Hoe vaker uitzonderingen voorkomen, des te hardnekkiger zijn ze. Vergelijk het met de sterke werkwoorden: hun aantal neemt al eeuwen geleidelijk af en ‘foute’ vormen als meette voor mat en vaarde voor voer komen veel voor. Toch zegt nooit iemand doede of stade.

2 Verkleinwoorden. Die categorie is moeiteloos herkenbaar aan zijn uitgang. Dat is een extra herkenningspunt, dat de onzijdigheid wellicht in stand houdt. Anderzijds: voor woorden als meisje en hondje is ‘de’ misschien wĂ©l een optie, omdat levende wezens zich niet goed verdragen met ‘het’. En wie weet slepen ze de andere verkleinwoorden met zich mee.

3 Zelfstandig gebruikte werkwoorden, zoals ‘het fietsen’. De uitgang -en duidt bij Nederlandse zelfstandige naamwoorden meestal op een meervoud (er zijn uitzonderingen, zoals haven en baken). NĂș onderscheidt het lidwoord nog het fietsen van de fietsen en het bakken van de bakken. Misschien voorkomt dat verschil vaak genoeg misverstanden om behouden te blijven.

4 Zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden, zoals ‘het goede’ en ‘het schone’. Het woord de zou hier verwarrend zijn omdat het zelfstandig naamwoord dan op een persoon lijkt te slaan, dus dat pleit voor het behouden van het. Het Nederlands zou niet de eerste taal zijn die voor deze categorie een uitzondering maakt: in het Spaans krijgen álle zelfstandige naamwoorden een vrouwelijk of mannelijk lidwoord (la, el), behalve deze ene groep: lo bueno betekent ‘het goede’.

Wat ten slotte ook nog kan, is dat het lidwoord ‘het’ uitsterft in de spreektaal, maar nog heel lang voortbestaat in de schrijftaal. Tenslotte hebben we ook nog tot in de jaren veertig naamvallen geschreven die al eeuwen uitgestorven waren, om maar te zwijgen van het hardnekkig gehandhaafde verschil tussen hen en hun.

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , , | 19 reacties

‘Het’ wankelt wel

Het lidwoord het staat onder druk en zou op langere termijn plaats kunnen maken voor de, voorspellen drie Amsterdamse taalwetenschappers. Onze Taal bracht het nieuws, veel andere media namen het over en de gebruikelijke reacties volgden: misverstanden (“Niemand zal toch ‘De onweert’ zeggen”), grappen (“Hetze wordt deze”, “De je van de”) en onbezonnen verontwaardiging (“Taalverloedering!” “Het komt door de Marokkanen!” “Hebben taalkundigen niets beters te doen?”).

Dat was allemaal niet verrassend. Dit soort kabaal lijkt soms bijna geregisseerd. Toen er begin 2010 een discussie was over ‘hun hebben’, was dezelfde onzichtbare regisseur ook al actief. Wat me ditmaal wĂ©l verraste, was dat nogal wat mensen de voorspelling eenvoudigweg niet geloofden. “Onzin. ‘Het’ verdwijnt niet”, zag ik iemand twitteren die ik doorgaans serieus neem. En tot mijn verrassing zag ook mijn taalkundig onderlegde vriendin Jenny Audring het niet gebeuren, zo meldde ze op haar blog. En wie weet hebben ze gelijk. Taalverandering is moeilijk te voorspellen.

Toch vind ik de voorspelling geloofwaardig. Ik denk namelijk dat het lidwoord het al flink wankelt, voornamelijk doordat het-woorden steeds minder makkelijk te herkennen zijn.

Het-woorden ofwel onzijdige zelfstandige naamwoorden onderscheiden zich in het Nederlands van hun niet-onzijdige collega’s op meerdere punten. Ik noem er vier, ik denk de belangrijkste:
1 Het bepaald lidwoord is uiteraard het, niet de: ‘het raam’ maar ‘de ruit’. Daar ging de ophef van de week over.
2 Het aanwijzend voornaamwoord is dat, niet die: ‘dat raam’ maar ‘die ruit’.
3 Het betrekkelijk voornaamwoord is dat, niet die: ‘het raam dat’, ‘de ruit die’.
4 Na het woordje een of geen krijgt het bijvoeglijk naamwoord géén -e: ‘een groot raam’, ‘een grote ruit’.
Terloops zij opgemerkt dat dit allemaal alleen in het enkelvoud geldt; in het meervoud zijn onzijdige woorden helemaal niet te herkennen.

De vier genoemde punten lijken vanzelf te spreken, maar in feite is er zeker één aan flinke erosie onderhevig, en een ander aan beginnende slijtage. Het zwakste staat punt 3: hoewel we allemaal schrĂ­jven ‘het raam dat’, zĂ©ggen we in feite vaak iets anders. We zeggen ‘het raam wat’ of – hou je vast – ‘het raam die’. Ik weet bijna zeker dat je dit laatste niet gelooft. En toch is het waar. Sinds Jenny Audring me er ruim twee jaar geleden op geattendeerd heeft, heb ik een eindeloze stroom voorbeelden gehoord van onzijdige woorden met daarachter het betrekkelijk voornaamwoord ‘die’. En nee, niet van tweedetaalsprekers, maar van volslagen autochtone, hoog opgeleide Nederlanders, ver vóór het borreluur (mezelf niet uitgezonderd). ‘Het probleem die dat veroorzaakt’, ‘een parkeervak die net nog vrij was’, ‘een boek die dat beweert’ – het houdt niet op.

Punt 4 wankelt misschien niet echt, maar de eerste trillingen zijn al wel te zien. Van de week hoorde ik iemand, ook weer een intelligente moedertaalspreker, zeggen dat iets “geen praktische nut heeft”. Dit komt minder vaak voor, maar het komt voor. Een beetje op de grens van punt 3 en punt 4 ligt een grammaticale constructie die juist in schrijftaal geregeld opduikt: ‘het formulier welke’, met een overbodige -e dus.

Als de erosie van de punten 3 en 4 doorzet, kunnen sprekers steeds minder vaak horen welke woorden onzijdig zijn. En juist die constante herinnering is nodig om zo’n zinloos systeem in stand te houden. Vergelijk het met het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke woorden. Eeuwen geleden waren die op allerlei manieren herkenbaar: aan afwijkende lidwoorden, afwijkende betrekkelijke en aanwijzende voornaamwoorden en afwijkende verbuigingen van het bijvoeglijk naamwoord. Elke sprekers wist daardoor feilloos welk woord tot welke categorie behoorde – en in dialecten die de verschillen bewaard hebben, weten sprekers dat nog steeds. Maar naarmate die verschillen vervaagden, bleven er minder herkenningspunten over. Nu zijn mannelijke en vrouwelijke woorden alleen nog te herkennen aan de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden (hij, hem, zijn; zij, haar). Dat is te weinig om het systeem in leven te houden, zo is gebleken, want het grammaticale verschil tussen mannelijk en vrouwelijk is in feite uit het Nederlands verdwenen (hij en zij weerspiegelen nu enkel een biologisch verschil). Alleen in de schrijftaal houden we de illusie nog in stand.

Wat met mannelijk en vrouwelijk is gebeurd, kan ook met onzijdig gebeuren, en om dezelfde reden: dat er steeds minder signalen zijn die het woordgeslacht duidelijk maken. Kortom: ja, het lidwoord het kan denk ik verdwijnen.

****

Zie ook de volgende blogpost.

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , , | 42 reacties

Een beeld en een babbel

 ‘Cluster’ is een kunstwerk van Kees Bierman, bestaande uit drie in een driehoek opgestelde, rechtop staande, raketachtige vormen van draad, die in het midden in elkaar overlopen. Het gidsje van de beeldentuin Anningahof in Zwolle zegt er het volgende over:

Drie identieke objecten, ieder met een verticale dynamiek, vormen door versmelting een nieuwe eenheid. Als ze massief gesloten zouden zijn geweest zou dat vragen over het inwendige van het beeld oproepen.
Echter door de transparante constructie wordt een inwendige leegte zichtbaar. Een illusie van massaliteit. Als men op enige afstand van het beeld loopt treedt ‘optische beweging’ op, doordat de waargenomen spijlen aan de zichtzijde zich optisch vermengen met die van de achterzijde.

Ik ben van mening dat dit begrijpelijker uitgedrukt kan worden. Ik heb een poging gewaagd:

Drie identieke objecten,
Drie dezelfde voorwerpen,
ieder met een verticale dynamiek,
schijnbaar omhoog bewegend,
vormen door versmelting een nieuwe eenheid.
zijn aan elkaar bevestigd tot één geheel.
Als ze massief gesloten zouden zijn geweest
Als ze ondoorzichtig waren geweest,
zou dat vragen over het inwendige van het beeld oproepen.
zouden we benieuwd zijn wat erin zat.
Echter door de transparante constructie
Maar doordat ze doorzichtig zijn
wordt een inwendige leegte zichtbaar.
zien we dat ze leeg zijn.
Een illusie van massaliteit.
Een schijn van volheid.
Als men op enige afstand van het beeld loopt
Als men op enige afstand van het beeld loopt
treedt ‘optische beweging’ op,
lijkt het te bewegen,
doordat de waargenomen spijlen aan de zichtzijde zich optisch vermengen met die van de achterzijde.
doordat de spijlen aan de voor- en achterkant elkaar kruisen als gevolg van perspectief.

Maar is mijn versie nog wel interessant? Ik vrees van niet: ze doet niet veel meer dan stomweg beschrijven wat de kijker ook zonder toelichting kan zien. Maar dat betekent dus – tenzij ik iets vreselijk fout heb gedaan – dat de eerste versie evenmin iets toevoegde. De oorspronkelijke tekst was in dat geval ‘een transparante constructie van keizerlijk textiel’, als ik me een kleine parodie mag veroorloven.

Ik vond het wel amusant om dit tekstje uit elkaar te plukken. Maar eigenlijk vind ik het vooral treurig dat het er staat. Want denk nou niet dat ik Cluster een lelijk of slecht beeld vind. Andere op Anningahof spreken me meer aan, maar dit werk misstaat er niet, en de beeldentuin als geheel was het bezoeken zeker waard.

Het tekstje heeft geen afzender. Zou het van de kunstenaar zelf komen, van een bevriende kunstkenner, van de mensen van de beeldentuin? En wat zou de schrijver gedacht hebben? ‘Wat een prachtig beeld – laat ik alles beschrijven wat ik erin zie’? ‘Het is een eenvoudig beeld, laat ik het verrijken met ingewikkelde taal’? ‘Er moet een tekst bij, laat ik er maar waar artibabbel tegenaan gooien’? Wie zal het zeggen. In ieder geval zou mijn advies zijn: doe het niet. Zeg nog liever niets. Want ik vrees, mĂ©t Joost Swanborn*, dat dit soort geleuter de kunst vooral een slechte naam bezorgt.

 ***

 * ‘Taaldokter’ Joost Swanborn heeft deze zomer een discussie over ‘holle kunstpraat’ aangezwengeld. Op zijn website is die nog terug te lezen. De oudste stukken staan onderaan.

Geplaatst in taal algemeen | Tags: , , | 3 reacties

Allemaal andersklinkenden

Zaterdagochtend – ik had uitgeslapen en liep nog in ochtendjas – werd ik gebeld door een medewerkster van het radioprogramma Cappuccino (Radio 2, NCRV, weet ik nu). Een jonge luisteraar wilde weten waarom talen zo verschillend klinken, vertelde ze. Leuke vraag. En of ik dat zo dadelijk in de uitzending telefonisch wilde uitleggen. Ja hoor.

Nadat ik me snel een beetje presentabel had gemaakt – zelfs aan de telefoon psychologisch belangrijk, vind ik – heb ik drie oorzaken genoemd voor die uiteenlopende klanken.

1. Met onze mond kunnen we heel veel verschillende geluiden maken. Uit al die geluiden heeft elke taal zijn eigen keuze gemaakt. Het Nederland gebruikt rond de 50 klanken (fonemen, maar met dat woord heb ik de luisteraars niet lastiggevallen), andere talen minder, nog weer andere meer. Het setje klanken dat een taal gebruikt, is vrijwel nooit precies gelijk aan dat van een andere taal. Dus klinken ze allemaal verschillend.

2. Sommige talen, zoals Spaans en Japans, hebben korte, simpele lettergrepen: torero, Fujimori. Die vuren de sprekers in hoog tempo af. Andere talen, zoals het Nederlands, hebben (gemiddeld) langere, complexere lettergrepen: wolk, drink, schreeuwt. Die houden de spraakstroom nogal op. Gevolg: sommige talen klinken veel sneller dan andere.

3. In sommige talen, zoals Chinees, Kroatisch, Papiaments en Limburgs, heeft een woord een andere betekenis al naar gelang de ‘melodie’ (toon) waarmee de klinkers worden uitgesproken: laag, dalend, stijgend, enzovoort. Zulke toontalen klinken zangeriger dan bijvoorbeeld het Nederlands, waarin de toon er voor de betekenis van een woord niet toe doet.

Ik vond dat ik dit antwoord in een paar minuten aardig bij elkaar had geĂŻmproviseerd. Maar er zijn vast nog wel meer oorzaken te bedenken dan deze drie. Iemand suggesties?

***

Je kunt de uitzending hier beluisteren. Mijn bijdrage begint op 2:35:58.

Geplaatst in taal algemeen, vreemde talen | Tags: , , , , , | 9 reacties

Als bloed iets weet, maakt hij carriĂšre

“Als je je been niet strekt, weet het bloed niet waar hij naar toe moet”, hoorde ik een jonge sportlerares zeggen. Dat ‘hij’ verbaasde me, want ik zou ‘het’ verwachten. En niet omdat bloed een het-woord is, maar om een heel andere reden.

Als we schrijven, baseren we onze keuze voor ‘hij’, ‘zij’ of ‘het’ doorgaans op het woordgeslacht zoals dat in woordenboeken te vinden is. Naar de-woorden verwijzen we dan met ‘hij’ (man, boot, voortgang, voor Noord-Nederlanders ook melk) of met ‘zij’ (vrouw, snelheid, voor Zuid-Nederlanders en Vlamingen ook melk), naar het-woorden met ‘het’ (huis, talent, water).

Maar als we praten, volgen we steeds vaker een heel ander patroon, zo heeft mijn geleerde vriendin Jenny Audring laten zien in haar proefschrift Reinventing pronoun gender. ‘Zij’ gebruiken we dan alleen nog voor wezens, vooral mensen, die duidelijk van het vrouwelijk geslacht zijn: tante en minister, maar ook meisje en Vlekje. Alle andere wezens en de meeste telbare zaken krijgen ‘hij’: broodrooster en minister, maar ook stoeltje, dier en kip. De neiging om dat te doen is des te sterker als het bedoelde begrip concreet is: naar een boek verwijzen we vaak met ‘hij’ als we het voorwerp bedoelen, maar eerder met ‘het’ als we de inhoud bedoelen: “Hij zit in mijn tas” versus “Het heeft veel indruk op me gemaakt.” Ten slotte zijn er de ontelbare zaken als liefde, sport en melk. Daar verwijzen we in de spreektaal bij voorkeur naar met ‘het’.

Terug naar de sportjuf. Zij had het over bloed – categorie ‘melk’, lijkt me, en dus ‘het’. Toch zei ze ‘hij’. Hoe kan dat?

Ik kan twee verklaringen aanbieden, een vrij saaie en een die ik interessanter vind. De saaie is dat ‘bloed’ voor haar een orgaan is, net als de lever of de biceps. Een concreet ding dus, dat de verwijzing ‘hij’ vereist. Maar die verklaring verdraagt zich slecht met de inhoud van haar uitspraak, lijkt me. Een orgaan dat ergens naar toe moet? Organen zijn honkvast. Vloeistoffen, die verplaatsen zich door ons lichaam. En vloeistoffen zijn typische ‘hets’, geen ‘hijs’, als ik me deze meervouden mag veroorloven.

In de interessantere verklaring komt de inhoud van de hele zin in beeld. Het bloed wéét iets, zegt ze, of om precies te zijn: het weet iets niet. Vraag: wat voor soort, eh, entiteiten is in staat om iets te weten? Antwoord: een menselijk of dierlijk wezen, of een ding dat ‘wezenachtige’ trekjes heeft, zoals een computer. En naar al die wezens – behalve vrouwen – verwijzen we met ‘hij’.

Mijn idee is dus dit: niet het woord bloed bepaalde de keuze van de spreekster voor ‘hij’, maar de eigenschap die ze aan dat bloed toeschreef, namelijk het vermogen tot ‘weten’. Door iets (niet) te weten, werd het bloed van het ‘het-niveau’ opgetild naar het ‘hij-niveau’. Het bloed maakte carriùre.

Als deze redenering klopt, hangt de keuze tussen ‘hij’ en ‘het’ dus niet (alleen) af van het zelfstandig naamwoord waarnaar verwezen wordt, maar (ook) van het werkwoord dat zijn activiteit beschrijft. Zolang een vloeistof typisch vloeibare werkzaamheden verricht als stromen, druppelen, stollen, lekken, spatten of schiften, zouden sprekers het verwijswoord ‘het’ moeten gebruiken. Als een vloeistof daarentegen weet, hoopt, streeft, verwacht, meewerkt of tegenstribbelt, ligt ‘hij’ meer voor de hand. Misschien is een hulpwerkwoord als ‘willen’ of ‘durven’ ook al genoeg om de eretitel ‘hij’ te verwerven. En hoe zou het zitten met water dat enigszins menselijke activiteiten ontplooit als murmelen of  linksaf slaan?

Ik weet het niet; ik ga er eens op letten. Vooral tijdens de sportles. Daar vloeien immers bloed, zweet en sportdrank. Een ideale onderzoekslocatie.

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , , , | 6 reacties

Twee puntjes

Het onderstaande heb ik zojuist getwitterd vanaf mijn account @europesetalen.
Ik plaats dit soort serietjes van twaalf regelmatig, en reproduceer ze dan letterlijk hier op mijn blog.

1. De umlaut (Ă€, ö, ĂŒ) is ontstaan in het Duits, en wel uit ae, oe, ue: http://goo.gl/AVPsj  De spelling met e is ook nog steeds mogelijk.

2. Schrijver J. Grimm bedacht de naam umlaut (‘omklank’) voor de klankverschuiving die de puntjes weergeven. Zij kregen pas later die naam.

3. Andere talen namen de umlaut later over: Ests (Ă€ ö ĂŒ), Fins (Ă€ ö), Hongaars (ö ĂŒ), IJslands (ö), Turks (ö ĂŒ), Zweeds (Ă€ ö).

4. Het Nederlands kent geen umlaut, behalve in leenwoorden (ĂŒberhaupt, knĂ€ckebröd). Onze 2 puntjes zijn doorgaans trema’s: geĂ«nt, ruĂŻne.

5. Een NLs trema geeft aan dat 2 klinkers niet als 1 geheel, maar elk apart uitgesproken moeten worden. Vergelijk eĂŻs (muzieknoot) met eis.

6. Talen die dat ook zo doen: Catalaans (ruĂŻna), Frans (naĂŻve), Grieks (Ï€Î±ÏŠÎŽÎŹÎșÎčα). Welsh zet t trema juist op de 1e van de 2 letters: copĂŻo.

7. In t Engels was t tot ±1940 gebruikelijk ‘reĂ«nact’ en ‘coöperate’ e.d. te schrijven. Nu doen weinigen dat nog maar.

8. In t Spaans is u stom in combinatie gu: guerra. Met trema klinkt de u wel: vergĂŒenza. Catal. óók bij qĂŒ: qĂŒestiĂł. Frans: aigĂŒe of aiguĂ«.

9. Gevolg: waar wij ‘linguĂŻst’ schrijven, spellen Spaans en Catalaans ‘lingĂŒista’. Een subtiel verschil – voer voor taalkundigen… 😉

10. Albanees en Luxemburgs hebben beide een Ă« (± ‘uh’). Of dit een trema of umlaut is, valt niet te zeggen, zeker voor Albanees niet.

11. Niet alleen Latijns en Grieks schrift hebben puntjes, maar ook t cyrillisch. Bijv. Russisch ё (= jo) en Oekraïens ї (=ji).

12. Vragen, opmerkingen, aanvullingen? Ik hoor ze graag. (Elders in de wereld kunnen ook op de n 2 puntjes staan. Maar ik doe Europa!)

Geplaatst in tweetblogs, vreemde talen | Tags: , | 6 reacties

Een vrijdag met een eigen naam

Net als ‘Witte Donderdag’ is ook de Nederlandse term ‘Goede Vrijdag’ vrij bijzonder. Voorzover ik kan overzien noemen verder alleen het Fries en het Engels de herdenking van Jezus’ langzame en pijnlijke dood ‘goed’. (En waarom eigenlijk? Dat is niet echt duidelijk.)

Elders toont men meer empathie. De ScandinaviĂ«rs, IJslanders en Finnen spreken van ‘Lange Vrijdag’ (voor wie lijdt of met iemand meeleeft, gaat de tijd immers traag), de Duitsers van ‘Klaagvrijdag’ of ‘Verdrietvrijdag’ (Karfreitag – alleen voor etymologisch geschoolde sprekers nog begrijpelijk, want kar bestaat niet meer als zelfstandig woord). Letten noemen de dag soms beeldend ‘Zwarte Vrijdag’. In het Iers en (soms) het Bulgaars heeft men het over ‘Kruisigingsvrijdag’. Daar valt weinig op af te dingen.

De twee meest wijdverbreide aanduidingen zijn vrij saai. Zoals men in Oost-Europa Witte Donderdag ‘Grote Donderdag’ noemt, zo heet Goede Vrijdag daar ‘Grote Vrijdag’. (Ook TsjechiĂ« en Slowakije doen hieraan mee, hoewel de donderdag er naar Duits voorbeeld ‘groen’ heet.) Sterker nog, de hele week Ă©n alle dagen van Palmpasen tot Pasen heten in Oost-Europa ‘groot’. In Spanje, Portugal, Frankrijk en ItaliĂ« is men al even consequent, alleen noemt men hier het hele gebeuren niet ‘groot’, maar ‘heilig’.

In het Nederlands heet deze week doorgaans Goede Week, maar ook wel Heilige Week of Stille Week. Dat ‘stille’ komt terug in het Nederduitse woord ‘Stille Vrijdag’ voor Goede Vrijdag. En dat herinnert me er dan weer aan hoe in het dorp waar ik opgroeide van Witte Donderdag tot de middag van Paaszaterdag (Stille Zaterdag) de kerkklokken niet geluid werden – ze waren stil. In plaats daarvan liepen misdienaars in burger een paar keer per dag de dorpsstraat op en af met houten kleppers, een soort eenvoudige hamerachtige percussie-instrumenten. Ik meen me het ritme dat ze sloegen nog te herinneren. Liepen ze hun route om de tijd te melden? Een mis aan te kondigen? Geen idee. Wel weet ik nog dat ik het machtig mooi vond. Wat dat betreft was het voor mij als kind dus wel degelijk een goede vrijdag.

Geplaatst in vreemde talen | Tags: | Plaats een reactie

Een donderdag met een eigen naam

Het is vandaag een bijzondere dag: kleurig, groot, ja zelfs heilig.

In Nederland en Vlaanderen valt dat misschien niet zo op. Wij noemen de dag waarop het laatste avondmaal van Jezus en zijn leerlingen herdacht wordt, Witte Donderdag. Maar in het Duits, Tsjechisch en Slowaaks is het vandaag Groene Donderdag. En in het Zweeds is het Roze (skĂ€r) Donderdag. Al is deze fleurige benaming eigenlijk een historisch ongelukje: het woord betekende vroeger ‘zuiver’. In de andere Scandinavische talen, die verwante namen gebruiken (skĂŠr, skjĂŠr, enzovoort), heeft het woord niet de betekenis ‘roze’ gekregen.

Is Witte Donderdag eigenlijk een grote dag? Jazeker: in het Pools, Sloveens, Kroatisch en Hongaars is het vandaag Grote Donderdag. Ook het Russisch, Roemeens, Grieks en nog een paar andere talen noemen de dag zo, alleen valt hij in Oosters-orthodoxe landen (meestal) op een andere datum.*

En dan zijn er de talen die nĂłg grootser uitpakken. Heel Spanje, Portugal, ItaliĂ« en Frankrijk spreken van ‘Heilige Donderdag’, en ook in het Iers is dat de term.

De vreemde eend in de bijt is het Engels. Holy Thursday bestaat wel (maar dat kan ook Hemelvaartsdag zijn) en zelfs het Scandinavisch aandoende Shear Thursday komt voor. Maar in Engeland is Maundy Thursday het gangbaarst – waarin maundy een vergeten woord voor ‘gebod’ zou zijn, dit vanwege het gebod van naastenliefde waarvan sprake is in de beschrijving van het laatste avondmaal door de evangelist Johannes.

 En Goede Vrijdag, heet die wel overal Goede Vrijdag? Daarover morgen.

 

Geplaatst in vreemde talen | Tags: | 5 reacties

Van broersdochters en plasticvaders

Het onderstaande heb ik gisteren getwitterd vanaf mijn account
@europesetalen. Ik plaats dit soort serietjes van twaalf regelmatig, en reproduceer ze dan letterlijk hier op mijn blog.

1. Onze taal mist woorden voor sommige familiebanden: ‘oom van moederskant’, ‘broers en zussen’, ‘oudere zus’. Andere talen hebben die wel.

2. Broers & zussen zijn siblings (Eng.), Geschwister (Du.), syskon (Zw.). Turks & Spaans gebruiken hiervoor ‘broers’ (kardeƟler, hermanos).

3. Spaans doet dit consequent (Port. ook). Tíos: ‘ooms’ maar ook ‘oom en tante’, enz. Pools doet t met dziadkowie: ‘grootouders’ & ‘opa’s’.

4. Het Zweeds heeft n Ikea-achtig zelfbouwsysteem. Oom: morbror (moedersbroer), farbror. Oma: farmor, mormor. Brorsdotter, systerson, enz.

5. In het Turks is abla ‘oudere dochter’, ağabey ‘oudere zoon’. In het Hongaars bĂĄtya ‘oudere broer’, öcs ‘jongere broer’.

6. Het Franse belle-fille betekent niet alleen ‘schoondochter’ (t Nlse woord komt trouwens uit t Frans), maar ook ‘stiefdochter’.

7. Jonge Zweedstalige Finnen vervangen t voorvoegsel styv ‘stief’ door plast ‘plastic’: niet biologisch immers, maar kunstmatig aangebracht.

8. Het Bulgaars onderscheidt ooms van vaderskant (čičo) en van moederkant (vujčo). Trouwens, ook Fins, Turks, Roemeens en andere doen dit.

9. Én het Oudengels: alleen de oom van moederskant heette ‘eam’. Zou dat voor ons ‘oom’ dan ook gegolden hebben? Ik kan dat nergens vinden.

10. Neef en nicht hebben in onze taal 2 betekenissen. Nee, dan het Turks. Dat heeft juist 4 woorden voor volle neef en 4 voor volle nicht.

11. Amcaoğlu, amcakızı, teyzeoğlu, teyzekızı, halaoğlu, halakızı, dayıoğlu, dayıkızı: ‘zoon/dochter van broer/zus van vader/moeder’.

12. Vragen, opmerkingen, aanvullingen? Ik hoor ze graag. (Elders in de wereld zijn ‘familiewoordsystemen’ veel bonter. Maar ik doe Europa!)


Geplaatst in tweetblogs, vreemde talen | Tags: , , | 17 reacties