Er schoot me vandaag een metafoor te binnen die in het inleidende hoofdstuk kan komen te staan. Ik ben benieuwd wat je ervan vindt, en waarom. Ik hoor het graag! Het gaat om de volgende twee alinea’s:
****
Elke zin die we zeggen zit in elkaar zoals het zonnestelsel waarin we leven. In het midden staat een ster: onze zon. Daaromheen draaien planeten: de aarde natuurlijk, maar ook Venus, Jupiter en andere. Rondom die planeten draaien weer manen. Wij zien ’s nachts dé maan, Luna, de moeder aller manen. De meeste andere planeten hebben er meer dan een, soms zelfs tientallen. En dan zwiert er tussen die planeten door nog wat klein grut, zoals meteoren en asteroïden. Een groot deel daarvan draait ook om de zon, maar sommige zijn onafhankelijke bezoekers.
Een ‘zinnestelsel’ zit ook zo in elkaar. De onbetwiste ster is het werkwoord, of preciezer gezegd de werkwoordgroep. Daaromheen draaien planeten, en net zo bevinden zich in voorspelbare banen om de werkwoordgroep zelfstandige naamwoorden. En zoals om de planeten manen cirkelen, zo hebben ook zelfstandige naamwoorden hun metgezellen: lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en andere. Ten slotte kun je nog allerlei klein grut aantreffen, waarvan een deel buiten het eigenlijke zinnestelsel valt.
Lees verder










