Als onze mond praat, praten handen en gezicht mee. Mogen ze dat niet, dan komen we moeilijker uit onze woorden én gaat er informatie verloren. Maar ook als we onze gebaren slecht timen, hindert dat de communicatie. Hoe nauw luistert die timing? Taalkundige Gianluca Giorgolo onderzocht het.
(Uit Onze Taal, juni 2011.)
Is onze communicatie voor het grootste deel non-verbaal, zoals vaak beweerd wordt? Was het maar waar! Dan konden we buitenlandse films behoorlijk volgen zonder ondertiteling. Het misverstand is gebaseerd op onderzoek uit 1971, door de Amerikaanse psycholoog Albert Mehrabian, die enkel beweerde dat we gevoelens en overtuigingen hoofdzakelijk met lichaam en intonatie overbrengen. De woorden zouden maar voor 7 procent meewegen.
Bestaat de communicatie over andere zaken dan gevoelens en overtuigingen dan voor 100 procent uit taal? Dat nou ook weer niet. Als onze mond praat, praten onze handen en ons gezicht druk mee, en zelfs ons hele lijf mompelt er instemmend doorheen. Elke luisteraar houdt dat goed in de gaten, veelal onbewust.
Toch heeft de taalkunde het verschijnsel lange tijd links laten liggen. Ze schrok pas wakker nadat pionierende onderzoekers in de jaren zestig hadden ontdekt dat de gebarentalen van doven even rijk zijn als het Nederlands en andere gesproken talen, met een grote woordenschat, een subtiele grammatica en nog veel meer. Vervolgens ontstond er ook aandacht voor de gebaren van horende mensen – het verkeerd geïnterpreteerde onderzoek van Mehrabian is er een voorbeeld van. Die vormen lang geen complete taal, maar een (klein) deel van onze gebaren heeft wel een specifieke betekenis, van het V-teken tot de opgestoken middelvinger. Voor Nederland en Vlaanderen hebben schrijver Herman Pieter de Boer en tekenaar Pat Andrea die zogeheten ‘emblemen’ vanaf eind jaren zeventig in beeld gebracht. Lees verder











