
Wielrenwereld, schreef ik. Nee nee, zag ik, da’s niet mooi, misschien zelfs niet juist. Maar wat dan wel? O ja: wielerwereld natuurlijk. Wielerwereld, wielersport, wielerploeg. Zo zeg je dat.
Maar waarom eigenlijk? En waar komt dat vandaan?
De wegen der etymologie zijn vaak kronkelig, soms ondoorgrondelijk; da’s juist hun charme. Maar de wielersport als verschijnsel is pas anderhalve eeuw oud (exact: uit 1868), dus het woord wielerwereld zal nog wel iets jonger zijn, en jonge woorden zijn doorgaans etymologisch doorzichtig. Of nee, dat neem ik terug, want zelfs van fiets kennen we de etymologie nog steeds niet. Ik kan beter zeggen: jonge sámenstellingen, die zijn meestal doorzichtig. Blokkeerfries, appongeluk, treitervlogger, sjoemelsoftware en dagobertducktaks, de vijf jongste ‘woorden van het jaar’, zijn stuk voor stuk doorzichtig – tot vermoeiens toe zelfs. Maar voor de samenstelling wielerwereld geldt dat niet, althans niet helemaal. Wereld, ja, dat deel is helder. Iets met een wiel, da’s ook duidelijk. Maar wat doet die r daar? Lees verder
We slagen liever dan we falen, en we bazuinen liever onze triomfen dan onze fiasco’s rond. Zeker als ondernemer, en zeker op sociale media. Ook al creëren we daarmee een onwaarachtig beeld.
Het is een mooi woord, ‘vroedvrouw’. Een beetje verouderd natuurlijk, dat wel. Mijn zusje en ik zijn in de jaren zestig nog gehaald door een vroedvrouw, maar toen mijn zus dertig jaar later haar kinderen kreeg, had ze een verloskundige aan haar bed. Trouwens, zelfs toen mijn vier overgrootmoeders bevielen, een eeuw eerder, moet het woord vroedvrouw al een beetje mysterieus hebben geklonken, want de eigenlijke betekenis van vroed – te weten ‘wijs’ – was toen al in vergetelheid geraakt.
Of eigenlijk luidde de vraag aan
Ik ben blij.
Is buurtpreventie een fout woord? Die vraag stond onlangs op de
Waarom spreken we metaal uit als mÓ™taal, met de Ó™-klank van ‘je’? Waarom hoor je mensen wel ‘kÓ™nijn’ zeggen, maar eerder ‘tonnijn’ dan ‘tÓ™nijn’? Waarom wordt kanarie vaak ‘kannarie’, ‘kÓ™narie’ of zelfs ‘knarie’, maar kaneel niet ‘kneel’ en zelfs niet altijd ‘kÓ™neel’, maar eerder ‘kanneel’. Waarom kun je de naam Doreen wel uitspreken als ‘dorreen’, maar het woord ‘dooreen’ niet? En waarom Nadien wel als ‘naddien’, maar nadien niet? Waarom kunnen we van banaan niet alleen ‘bannaan’, maar zelfs ‘bÓ™naan’ maken, maar van nasaal hoogstens ‘nazzaal’, niet zo snel ‘nÓ™zaal’? Waarom spreken we Venezuela uit als ‘venÓ™zuela’ of als ‘vinnezuela’, maar niet als ‘venezuela’, met drie heldere e-klanken?
Het groot vloekboek hinkt op meerdere gedachten, maar gelukkig zijn het overwegend goede gedachten.
Voor een Europese taal vervoegt het Engels zijn werkwoorden maar raar. In de tegenwoordige tijd zijn bijna alle vormen hetzelfde: I see, you see, we see, you (guys) see and they see. Maar net als je begint te denken dat de Engelse o.t.t. vervoegingsloos door het leven gaat, duikt er een verrassing op: she·he·it sees, met een s aan het end. Geen grote verrassing natuurlijk, want zo’n beetje iedereen wéét dat, maar toch, als je het niet wist, zou je het niet zien aankomen.
