Čeơka

Hoe vrouwelijk kun je zijn als Čeơka, als Tsjechische dus?
Je kunt in ieder geval maar beter niet achter een bar gaan staan. Want dan ben je een barmanka. Die uitgang -ka betekent hetzelfde als -in in ons ‘koningin’. Het Tsjechische woord voor barvrouw is dus letterlijk te vertalen als ‘barmannin’. Iets met een snor, dat is wel duidelijk.
Nee, dan hosteska. Dat is een host, ofwel een gastheer, die eerst in het Engels vervrouwelijkt is tot gastvrouw (hostess), en vervolgens in het Tsjechisch nĂłg eens vervrouwelijkt, met de toevoeging -ka. Gastvrouwin, zeg maar. Dat klinkt wel heel feminien.
En reken maar dat het niet alleen zo klinkt. Het bewijs is te zien op de website der hostesky (meervoud van hosteska). Op hostesky.cz is voorwaar geen snor te bekennen.

Geplaatst in vreemde talen | Tags: | 2 reacties

Te joods, te katholiek, te onrendabel

Voor de Tweede Wereldoorlog was er één man ter wereld die zich in de geschiedenis van de Albanese taal verdiepte, en die heette Norbert Jokl. Deze hoogleraar aan de universiteit van Wenen en ‘vader van de albanologie’ was de archetypische kamergeleerde: vrijgezel, kluizenaar, polyglot. En jood. Meteen na de Anschluss (1938) werd hij ontslagen, enkele jaren later gedeporteerd en vermoord.
Toen was er geen enkele kenner van het Oud-Albanees meer. Het onderzoek naar deze vrij moeilijke taal zonder naaste verwanten lag tientallen jaren in feite stil. Alle oude teksten, vijftienhonderd pagina’s drukwerk waar Jokl nauwelijks aan toe was gekomen, lagen te wachten op een geleerde. Onder buitenlandse taalkundigen was kennis van het moderne Albanees al dun gezaaid, laat staan van het oude. In het land zelf brandden wetenschappers hun vingers niet aan deze documenten: het rabiaat communistische regime zag weinig nut in de studie van abstruse oude teksten. Katholieke teksten bovendien, terwijl AlbaniĂ« zichzelf in 1967 tot atheĂŻstische staat had uitgeroepen.
De nazi’s vermoordden dus de prominentste deskundige omdat zijn geloof hun niet beviel. En de communisten negeerden de belangrijkste historische teksten omdat het geloof van de auteurs hun niet beviel. De geschiedenis herhaalde zich misschien niet, maar van variaties op een thema mogen we toch wel spreken.

Inmiddels is Albanië weer een soort van normaal land, waar mensen enig belang stellen in hun eigen verleden. Maar Albanese wetenschappers zijn niet in staat de oude boeken te onderzoeken. Deels uit geldgebrek, maar vooral omdat ze in hun orthodox-atheïstische jeugd weinig kennis van het katholicisme hebben opgedaan, en dus de finesses van die religieuze teksten niet snappen.
De belangstelling uit het buitenland is evenmin overweldigend. Laten we wel wezen: een studie van het Oud-Albanees, dat biedt weinig hoop op een rendabele start-up. En onderzoekers die daar niet in geloven, die bevallen de academische besluitnemers van vandaag niet.
Maar zoals Jokl al liet zien, kan één man een onderzoeksgebied tot leven wekken. En zowaar, er zijn er nu zelfs twéé die deze taak op zich hebben genomen. De oude teksten hebben nieuwe wetenschappers gevonden: Stefan Schumacher en Joachim Matzinger. Oostenrijkers, nota bene – het eind van het verhaal heeft een zekere poĂ«tische rechtvaardigheid.  Jokl heeft eindelijk geestelijke erfgenamen.

(Dit wordt – denk ik – géén hoofdstuk van het boek ‘Sprekend Europa’. Maar het was wel speurend naar informatie voor dat boek dat ik op het verhaal van Jokl, Schumacher en Matzinger stuitte.)

Geplaatst in vreemde talen | Tags: , | Plaats een reactie

Afasie en de taalstad

(Het onderstaande is een fragment uit een artikel over afasie, een aandoening waarbij het taalvermogen aangetast is. Het zal in november verschijnen in Onze Taal.)

Hoe begrijpen en produceren we woorden? Het taalkundige model dat dit beschrijft, lijkt op een stad met vier poorten waarlangs woorden naar binnen of naar buiten kunnen. De inkomende poorten zijn voor luisteren en lezen, de uitgaande voor spreken en schrijven. In het hart van de stad staat de grote betekenisbibliotheek van alle begrippen die de taalgebruiker kent. Dat is het zogeheten semantisch systeem. Tussen de poorten en de bibliotheek lopen allerlei straten.

Als we naar een spreker luisteren, doen we continu drie dingen. Ten eerste herkennen we in de smurrie van stemklanken en omgevingsgeluiden die via de Luisterpoort binnenkomen, de taalklanken van het Nederlands. Hier, in de Decodeerstraat, definiĂ«ren we het ene geluid als een n, het andere als een s, zodat we het ene stukje spraak als ‘k-n-ie-j-uh’, het andere als ‘k-s-ie-j-uh’ identificeren.

Vervolgens slaan we de Koppelsteeg in. Daar koppelen we de zojuist gedecodeerde taalklanken aan de klankbeelden die in ons luisterlexicon staan: respectievelijk ‘knieĂ«n’ en ‘ik zie je’. Die Koppelsteeg leidt ons naar de centrale bibliotheek, waarin we door de gangpaden op zoek gaan naar de kast met de juiste betekenis behorend bij het net gevonden klankbeeld. (Waarschijnlijk staat ‘ik zie je’, hoewel niet één woord, daar toch als één geheel in de schappen.)

ommuurde stad
Afasie kan op elke plek in de stad toeslaan. In zeer ernstige gevallen zijn alle poorten dicht of is de bibliotheek afgebrand. Maar afasie kan ook blokkades in een of meer straten opwerpen, die de doorgang alleen dĂĄĂĄr bemoeilijken of volkomen belemmeren. AfasiepatiĂ«nten die in de Decodeerstraat op een probleem stuiten, hebben meer moeite met lange woorden. Dat komt doordat dit decoderen een geheugeninspanning vereist, die zwaarder is naarmate het woord langer is. In de Koppelstraat hebben patiĂ«nten meer moeite met een woord naarmate ze dat in hun leven minder vaak gehoord hebben. Zo zijn de klanken f-oo-t-oo makkelijker te koppelen aan het juiste klankbeeld dan p-aa-l-e-t – behalve wellicht voor een (afatische) kunstschilder, wiens palet tot zijn alledaagse uitrusting behoort. In de bibliotheek, ten slotte, vinden de meeste patiĂ«nten makkelijker hun weg naarmate het begrip concreter voor te stellen is: ‘hamer’ en ‘lopen’ lukken wel, ‘woede’ en ‘uitweiden’ zijn lastiger. Je zou bijna denken dat ze, net als in een echte bibliotheek, zoeken met hun ogen.

Ook van de Leespoort lopen soortgelijke straatjes naar de bibliotheek. Wie spreekt of schrijft, daarentegen, zoekt eerst betekenissen op in de bieb en snelt dan langs een andere route naar de uitgaande poorten. Verder kent de stadsplattegrond nog een paar ondergrondse gangen, die onverwachte plekken met elkaar verbinden. Die tunnels verklaren bijvoorbeeld waarom we niet-bestaande woorden, die dus niet in de betekenisbibliotheek te vinden zijn, toch kunnen nazeggen. De afasietherapeut onderzoekt welke poorten, straten en gangen begaanbaar zijn, en welke niet.

Het stratenpatroon is niet fysiek in het brein aan te wijzen. Maar uit de problemen waar afasiepatiĂ«nten (en bijvoorbeeld ook dyslectici) tegenaan lopen, is af te leiden dat de beschreven ‘taalstad’ in de één of andere vorm wel moet bestaan.

(Het beschreven model, maar niet de metafoor, is ontleend aan het boek ‘Afasie’ van Roelien Bastiaanse.)

Geplaatst in taal algemeen | Tags: , | 2 reacties

Boeken en bookies

Een paar maanden geleden heb ik een stukje over het Welsh geschreven, voor het talenboek waar ik aan werk. Eerder deze maand wĂĄs ik in Wales. En ik was verrast hoe aanwezig de taal is. Veel tweetalige opschriften van zowel overheid als bedrijven, Welshe gesprekken in de supermarkt, Welshtalige televisie die er professioneel uitzag en een flinke hoeveelheid Welshe boeken in de boekhandel. Het Welsh leeft, dat staat buiten kijf.

Siop y BwciDe tweetalige opschriften waren voor mij als buitenstaander het leukst, omdat ze me een kans boden om onder de motorkap van de taal te kijken.

Zo werd al snel duidelijk dat het Welsh een Romaanse woordvolgorde heeft. Als een caffi een café is en een caffi rhyngrwyd een internetcafé, moet de conclusie wel zijn dat de toelichting die wij ervoor zetten (wat voor café? een internetcafé!) in het Welsh erna komt. Net als in het Frans en Spaans dus, waar men van un café internet spreekt.

Ook geven de tweetalige opschriften inzicht in de herkomst van de Welshe woorden. Woorden als perygl ‘gevaar’, eglwys ‘kerk’ en llyfrau ‘boeken’ doen vermoeden dat er in oude tijden wat Latijn (periculum, ecclesia en libri) in het Welsh is achtergebleven. Bws (de w wordt als [oe] uitgesproken), ysgwñr ‘plein’ en ffarm ‘boerderij’ en vele, vele andere laten de Engelse invloed zien (bus, square, farm). En het bovengenoemde caffi rhyngrwyd doet vrezen dat de taal een actieve puristische beweging kent. Andere getuigen daarvan zijn cyfrifiadur ‘computer’, eigenlijk ‘rekenaar’ en amgueddfa ‘museum’ – geen idee waar dat woord vandaan komt.

Wat de opschriften in de derde plaats laten zien is hoe strikt fonetisch het Welsh gespeld wordt. Zo zag ik een snackbar die zichzelf als TĆ· cebab, byrgyr a pitsa aanprees. TĆ· betekent huis, a is ‘en’ en de letter y wordt ongeveer als de e of de u van ‘geluk’ uitgesproken. Bedenk nu zelf hoe deze toko in het Engels heette…

In één opschrift kwamen alle bovenstaande inzichten – fonetische spelling, Engelse ontleningen, Romaanse volgorde – prachtig samen: siop y bwci. (Het woordje y staat voor ‘de’ of ‘het’, en ik heb de indruk dat het vaak wordt gebruikt om samenstellingen aaneen te smeden; ik negeer het hier even.) Stap 1: spreek het fonetisch uit – sjop boekie. Stap 2: maak hier Engels van – shop bookie. Stap 3: draai de volgorde om: bookie shop. Nee, geen boekhandel, maar een bookmaker ofwel een wedkantoortje.

Heerlijk. Daarvoor ga ik op vakantie.

Geplaatst in vreemde talen | Tags: , | 2 reacties

Tweeërlei prudentie

Dat zie je niet alle dagen: een nieuw woord op klassieke basis dat in Nederland of Vlaanderen bedacht wordt én ingang vindt. Ik heb het over moresprudentie, dat ik zojuist tegenkwam in kopij voor het blad Jeugd en Co, waarvan ik eindredacteur ben. Een definitie kan ik niet vinden, maar de betekenis is in de context min of meer duidelijk: zoals jurisprudentie staat voor de interpretatie van de wet zoals die blijkt uit eerdere rechterlijke uitspraken, zo staat moresprudentie voor de interpretatie van regels zoals die blijkt uit beslissingen van andere gezaghebbende stemmen, zoals tuchtraden.
Maar is het woord echt in onze streken gevormd? Het heeft er alle schijn van. De Nederlandse versie, eindigend op –tie, scoort meer dan vijfhonderd treffers. In de grotere Europese talen komt het woord nauwelijks voor.
Als het voorkomt, is het overigens vaak met een i in plaats van een e: morisprudence, morisprudencia. Dat is ook logischer. Het eerste deel van jurisprudentie, juris dus, is de tweede naamval van het Latijnse ius of jus ‘recht’. Maar wat is het eerste deel van het nieuwe woord? De bedenker had waarschijnlijk associaties met het eveneens Latijnse mores ‘gewoonten, zeden, mores’. Maar dat woord kent een enkelvoud mos, en dat heeft weer een tweede naamval moris. Dat enkelvoud betekent ‘gewoonte’ en ook ‘gewoonteregel’. ‘Morisprudentie’ verdient dus niet alleen de voorkeur omdat het nauwkeuriger naar Latijns voorbeeld is gevormd, maar bovendien dekt het de lading minstens even goed als de vorm met e, zo niet beter.

Hetgeen me als eindredacteur van Jeugd en Co voor een dilemma plaatst: welke van de twee varianten moet ik gebruiken? De ‘foute’ vorm met e scoort honderd keer zo veel treffers als de juiste met i: 580 om 6. Moet ik de meute volgen of eigenwijs zijn?
Ik besluit tot dat laatste. Het woord is nog niet zo wijdverbreid, dus de juiste spelling kĂĄn nog zegevieren. En mocht het woord ooit brede bekendheid verwerven, dan wil ik niet hebben bijgedragen aan het ontstaan van een spellinginstinker. Als jurisprudentie met een i is, dan morisprudentie ook graag.

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , , , , | 4 reacties

“Wpratendekroegaddemdawonself (
.) hore”

Hoe verstaan we elkaar bij herrie?

In een rumoerige ruimte kost het moeite om je gesprekspartner goed te verstaan. Hoe komt dat? Heeft iedereen er even veel last van? Waar zit het probleem: Ă­n of tĂșssen de oren? Wat is eraan te doen? Het cocktailparty-effect van alle kanten bezien.

Ik heb een kroegprobleem: ik versta mensen slecht te midden van geroezemoes. Ontzettend frustrerend is dat, want terwijl de rest vrolijk kletst, zit ik te ploeteren om ze te volgen. Wat is er met mij aan de hand?

Eigenlijk is het opmerkelijk dat velen van ons elkaar bij geroezemoes nog wĂ©l kunnen verstaan. Dit zogeheten cocktailparty-effect is “een van de knapste mentale kunstjes van de mensheid”, aldus het wetenschappelijke nieuwsblad New Scientist. Als in een drukke kroeg iedereen even hard praat, klinken de woorden van een gesprekspartner op zeventig centimeter afstand gemiddeld even luid als de gesprekken van alle andere aanwezigen bij elkaar. Maar aangezien iedereen het ene woord harder, het andere zachter uitspreekt, zullen sommige woorden van de gesprekspartner overstemd worden door het rumoer van de rest. (En dan hebben we het nog niet eens over de muziek die door vrijwel elk etablissement tettert.)

Geen wonder dat mijn kroegprobleem niet zeldzaam is. Op het berichtje in New Scientist reageerden diverse lezers die meldden dat zij het cocktailpartytalent ten enenmale misten. Een troostrijke gedachte, die helaas niets oplost.

Toestelletje
Maar waar komt het kroegprobleem vandaan? Heb ik misschien gewoon slechte oren? Nee, als ik de Nationale Gehoortest mag geloven niet. Dus bezoek ik een specialist – als je zo’n bezoek een ‘interview voor Onze Taal’ noemt, heb je geen verwijsbriefje nodig.

Prof. dr. ir. Joost Festen is van huis uit natuurkundige, maar nu audioloog op de polikliniek KNO van het VU medisch centrum in Amsterdam. Hij is – niet verrassend – een buitengewoon duidelijke spreker. In het gesprek van drie kwartier is maar één woord moeilijk verstaanbaar: abbauilgie.

Wat doet hij als mensen met het kroegprobleem bij hem komen? “We doen een gehoortest, ongeveer zoals de Nationale Gehoortest, maar dan uitgebreider. In negen van de tien gevallen laat het resulterende audiogram verlies van hoge tonen zien. Dat is te verhelpen met een toestelletje. Of eigenlijk met twee, in elk oor één, want dat is veel effectiever. Dat zeggen wij al jaren, maar zorgverzekeraars beginnen dat nu pas schoorvoetend te erkennen.”

Hebben mensen op hun werk last van het kroegprobleem, dan zijn er mogelijkheden op het gebied van – daar komt-ie – abbauilgie: arbo-audiologie dus. Printers en andere herriemakers ver van de werkplek plaatsen, de galm verminderen met textiel of schuim – het zijn simpele doch doeltreffende maatregelen. In een klaslokaal is het handig als er maar één persoon tegelijk praat. Verstaat een docent de leerlingen dan nog steeds slecht, dan moet hij ervoor zorgen dat er genoeg licht op hun gezichten valt. Festen: “Dat helpt niet alleen bij het liplezen, maar je ziet ook hun gezichtsuitdrukking.” (Dat het belang van liplezen niet moet worden onderschat, is ook te zien op dit Engelstalige YouTube-filmpje.)

Spraakverwerking
Maar ja, wat heb je als kroegbezoeker aan die wijsheid? Een felle lamp meenemen om de gezichten van je vrienden te beschijnen? De medebezoekers verzoeken hun mond te houden? Nee, dit is een doodlopende weg.

Zit het probleem misschien niet in, maar tĂșssen de oren? Gaat er iets mis bij de spraakverwerking in mijn brein? Dat is een vraag voor dr. Bert Schouten, die fonetiek doceert aan de Universiteit Utrecht. “Er wordt al tientallen jaren onderzocht hoe we spraak verwerken”, zegt hij. Er zijn ook diverse theorieĂ«n over, de ene nog onbevredigender dan de andere. “Maar het korte antwoord is: we weten het niet.”

Natuurlijk is er wel iets bekend. Bijvoorbeeld dat spraak en andere geluiden een heel eind ‘samen opreizen’ door het oor, de gehoorzenuw en de hersenstam. Er moet een plek in het brein zijn waar de spraak ‘aftakt’ en apart verwerkt wordt, maar waar? Er is bij katten onder narcose wel onderzocht hoe hun hersens allerlei geluiden verwerken – bij katten, omdat onderzoekers nu eenmaal geen pinnetjes in mensenhersens mogen steken. Jammer genoeg heeft dat onderzoek niet al te veel opgeleverd. Het is dubbel jammer zelfs, want de katten bezweken na enkele dagen – zinloze slachtoffers op het slagveld van de wetenschap. Schouten verwacht dat ons inzicht in spraakverwerking enorm zal toenemen wanneer het technisch mogelijk wordt om heel gedetailleerd, op celniveau, in het menselijk brein te kijken. “Maar of ik dat nog meemaak? Dat gaat nog wel een jaar of twintig, dertig duren.”

Spraakverwerking is hoe dan ook een prestatie van jewelste, vindt hij. “We analyseren als luisteraar zo’n tien tot vijftien spraakklanken (fonemen) per seconde Ă©n interpreteren die in het licht van het lexicon dat we opgeslagen hebben. Bovendien halen we uit diezelfde stroom ook nog een heleboel andere informatie over de spreker.”

Als je het zo bekijkt, doe ik het nog best aardig. Onder stille omstandigheden, maar zelfs bij lawaai, zo blijkt. Want uitgerekend tijdens ons gesprek wordt pal voor het raam van Schoutens rustige werkkamer een steiger afgebroken. Zodat zijn – klebeng – woorden – bonk – begeleid worden door – zroep – harde geluiden van hout en metaal op me – knal – taal. En toch versta ik hem prima. Het maakt voor de verstaanbaarheid dus nogal verschil of de hinder komt van concurrerende spraakinformatie of van betekenisloze herrie.

Aanpassen
Tot dusverre heb ik de schuld bij mezelf gezocht. Maar kunnen mijn gesprekspartners eigenlijk niet gewoon wat duidelijker praten? Als ik een paar keer vraag: ‘Wat zeg je?’, dan weten ze toch wat hun te doen staat?

“Sprekers passen zich aan de omstandigheden aan”, zegt audioloog Festen. “In de kroeg praten ze harder en articuleren ze wat beter. Maar aanpassen aan andermans hardhorigheid, dat blijkt niet te gebeuren, zelfs niet op verzoek. De spreker doet er heel even een schepje bovenop, maar al gauw vervalt hij weer in zijn normale volume.”

“Dat aanpassen valt sowieso nogal tegen”, zegt psycholinguïst dr. Mirjam Ernestus, die als onderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen en het Max Planck Instituut verbonden is. “We praten in de kroeg harder omdat we onszelf willen kunnen horen. Als mensen hardhorig worden, is het eerste symptoom ook dat ze zelf harder gaan praten. Waarschijnlijk gaan we ervan uit dat als we onszelf verstaan, de omgeving ons ook verstaat.”

Ze beschrijft een mooi experiment (“Dat had ik nou graag zelf bedacht!”) dat aantoont hoe egocentrisch sprekers zijn – of hoe autonoom spraakproductie plaatsvindt, zoals Ernestus liever zegt. Twee personen hebben allebei een plattegrond, die ze alleen zelf kunnen zien. De een legt aan de ander een route uit. Hij zegt bijvoorbeeld: “Je loopt eerst naar het postkantoor.” De eerste keer dat hij ‘postkantoor’ zegt, spreekt hij dat woord vrij duidelijk uit: ‘poskentoor’. Komt het woord vaker voor, dan blijkt de uitspraak steeds slordiger te worden: ‘psktor’. Geen probleem, de luisteraar snapt het. Maar nu het verrassende: als de luisteraar wordt vervangen door een andere persoon en de spreker legt de route opnieuw uit, dan blíjft hij het woord postkantoor slordig uitspreken. De spreker blijkt er geen rekening mee te houden dat dit woord voor deze luisteraar nog ‘nieuw’ is.

‘Koonk’
We stemmen onze spraak dus niet zo nauwkeurig af op onze luisteraars. Toch is onze spraak, op een algemener niveau, natuurlijk wel afgestemd op luisteren: we willen dat onze woorden begrepen worden. Ons alledaagse praten is in feite een voortdurend compromis. Spreker en luisteraar willen zich geen van beiden bovenmatig hoeven inspannen, maar ze willen elkaar wĂ©l verstaan. Sprekers weten dat luisteraars ‘tuuk’, ‘eik’ en ‘koonk’ zullen interpreteren als ‘natuurlijk’, ‘eigenlijk’ en ‘koninklijk’, en zullen die woorden in informele situaties niet voluit zeggen. Dat geldt voor onze demissionaire premier, maar ook voor uzelf. Slordige spraak, of ‘gereduceerde woorden’, zoals Ernestus zegt, klinkt niet slordig, maar juist heel natuurlijk – al is het wel bijzonder dat Jan Peter Balkenende zelfs in formelere situaties zo spreekt. (Ernestus, sprekend als spraakonderzoeker: “Ik zal hem missen als hij vertrekt.”)

Op het eerste gezicht lijkt het correct interpreteren van ‘eik’ (‘eik’? ‘ijken’? ‘eikel’? ‘eigenlijk’? ‘eindelijk’?) even moeilijk als het verstaan van woorden te midden van rumoer. Maar waar omgevingsgeluiden willekeurige stukjes spraak overstemmen, zijn onze uitspraakslordigheden juist behoorlijk systematisch. Zo kruipen de klinkers een beetje naar elkaar toe; de lange o en de korte a verschuiven bijvoorbeeld allebei een stukje richting korte o. De medeklinkers zijn evenmin veilig. Een k-klank voor een t, zoals in actief, wordt makkelijk afgezwakt of verdwijnt zelfs: ‘attief’. In het Italiaans is attivo zelfs het officiĂ«le woord geworden. Andere systematische slordigheden zijn specifiek voor een bepaalde taal. Zo wordt het achtervoegsel -lijk in het Nederlands vaak teruggebracht tot -k. Dat we allemaal op dezelfde manier slordig praten, helpt ons om slordige spraak te verstaan – te ‘decoderen’, als het ware.

Iedereen mompelt
Intussen is mijn kroegprobleem nog steeds niet opgehelderd. Gelukkig hebben Ernestus en haar collega’s óók onderzocht welke strategieĂ«n luisteraars gebruiken als er akoestische informatie ontbreekt. Een gangbaar idee is dat de luisteraar die leemtes zelf invult aan de hand van de context. Iets in de aanloop naar het half ingeslikte woord – de inhoud, de zinsbouw of zelfs iets heel subtiels in de uitspraak – zou de luisteraar al doen vermoeden welk woord er op komst is. Onderzoek ondersteunt dat idee. Krijgen proefpersonen het half ingeslikte woord te horen zonder context, dan verstaan ze het nauwelijks. MĂ©t context lukt het wel.

Mits ze de context goed verstaan. Dat – op zich logische – idee werd ondersteund door weer een andere test, waar Esther Janse, collega van Ernestus aan het Max Planck Instituut, me over vertelt. Studenten kregen spraakopnames te horen waar de hoge tonen grotendeels uit weggefilterd waren. Met die filtering bootsten de onderzoekers datgene na wat ouderen normaal horen: zoals audioloog Joost Festen eerder al vertelde, horen mensen met het klimmen der jaren de hoge tonen steeds slechter. “Daarom klagen ouderen vaak dat ‘iedereen tegenwoordig zo mompelt’”, zegt Janse.

Wat bleek? Zowel de studenten als de oudere proefpersonen hadden nu minder houvast aan de context en verstonden de slordige spraak slecht. In feite presteerden de ouderen zelfs ietsje beter, waarschijnlijk doordat ze dankzij hun jarenlange ‘training’ meer aandacht besteedden aan het luisteren. Dat is overigens een vermoeiende oplossing, want andere testen tonen aan dat het voor ouderen juist extra moeilijk is om hun aandacht selectief te richten; te focussen dus. Hun afnemende gehoor dwingt hen simpelweg om het tĂłch te proberen, op straffe van niet-verstaan. “Jongeren zijn dus op alle punten in het voordeel”, zegt Janse. “Ze horen beter Ă©n ze kunnen beter focussen.” (Festen merkt wel op dat ouderen een groter lexicon hebben. Dat compenseert die twee nadelen enigszins.)

Schuttingtaal
Onbedoeld maken Ernestus en Janse het focussen nóg wat moeilijker, door de spraak via een koptelefoon aan te bieden. In het dagelijks leven kunnen luisteraars de spreker meestal zien. “Dat helpt enorm om hem te verstaan, zowel bij slordige spraak als in een rumoerige omgeving”, zegt Janse. “Niet alleen omdat je dan zijn lippen en zijn expressie ziet, maar waarschijnlijk ook omdat je gemakkelijker je aandacht erbij houdt.” Helemaal onverdeeld is die aandacht nooit, want onbewust volg je óók de gesprekken in je omgeving. Jongeren kunnen dat uitstekend, maar ook ouderen doen dat: ook zij merken het als aan een naburig tafeltje opeens hun naam te horen is of een andere aandachttrekker, zoals scheldwoorden of schuttingtaal.

Zou dat het dan zijn? Als 44-jarige ben ik nog niet bejaard, maar is mijn vermogen tot focussen misschien aan de zwakke kant? Hm, dat klinkt niet aantrekkelijk. Is er geen andere verklaring te vinden? Vraag aan de twee Nijmeegse taalkundigen: hebben jullie bij al die luistertesten ook gekeken naar persoonlijke kenmerken van de proefpersonen die relatief goed dan wel relatief slecht scoorden? “Nee, nog niet”, antwoordt Ernestus. “Maar dat willen we zeker nog doen.”

Jammer. Ik wacht de resultaten vol ongeduld af. En hoop dan op heel andere conclusies. Bijvoorbeeld dat wij, de mensen met het kroegprobleem, een brede belangstelling hebben, een levendige creativiteit of de sterke behoefte om geen enkel woord van een gesprek te missen. Een andere mooie eigenschap is ook goed.

Een paar dagen later bezoek ik een vriendin. “Wist je dat mensen met het syndroom van Asperger ook moeite hebben om anderen te verstaan in een lawaaiige omgeving?”, vraagt ze. Nou, bedankt. Misschien moet ik volgende keer toch maar weer gewoon over een onderwerp schrijven dat wat verder van me afstaat.

En wat doe ik intussen met mijn kroegprobleem? “Ach”, zegt foneticus Bert Schouten, “gelukkig ga je op zekere leeftijd kroegen en feestjes sowieso minder leuk vinden.”

Dit artikel is in mei 2010 gepubliceerd in Onze Taal. Later dit jaar zullen daar meer artikelen van mijn hand verschijnen.

Geplaatst in taal algemeen | Tags: , , , , , | 1 reactie

Veeltalige sulfieten

Mijn lief bracht uit Spanje een fles rode wijn mee. Een rioja met een etiket vol bloemen – vrouwen kopen wijn op basis van het etiket, dat is bekend. Hoe dan ook: lekker spul, sprankeltje erin, niks mis mee.
We hadden de fles bijna leeg – tweede avond, dus ik was nog helder – toen me opviel dat deze rioja, hoewel gekocht in Spanje, toch duidelijk voor de export bestemd was. Er stond namelijk in liefst negen talen op dat hij sulfieten bevatte.
Ik schrijf niet voor niks een boek over Europese talen, dus min of meer werktuiglijk liep ik de opschriften na. De vaste jongens waren van de partij. De grote Romanen: Spaans natuurlijk (contiene sulfitos), Frans (contient sulfites), Italiaans (contiene solfiti)… hĂ©, geen Portugees. Pesterijtje van de grote Spaanse buurman zeker.
Dan de grote Germanen: Engels (contains sulphites, met die aanstellerige ph, vanwege het oude Grieks), Duits (enthĂ€lt sulfite – hĂ©, geen hoofdletter), Nederlands (bevat sulfieten – opeens klinkt het meervoud gek) en Scandinavisch (innehĂ„ller sulfiter – Zweeds gok ik, maar dat kunnen de Denen en Noren ook lezen). Dan buitenbeentje Fins, altijd herkenbaar aan zijn vele À’s, y’s en dubbele letters (sisĂ€ltÀÀ sulfitteja – geen y’s deze keer).

En dan de negende: sudetyje yra sulfitai.
Pardon?
Ik verwacht iets Slavisch. Maar is het dat wel? Pools of Tsjechisch, zĂłĂș kunnen. Maar ‘yra’ – nee, dit oogt niet Slavisch. Dit oogt… Hongaars? Nee, niet met die y’s. Keltisch? Tja, als iets er bizar uitziet, kan het altijd Welsh of Iers zijn, maar waarom zouden ze dat in vredesnaam op die fles zetten als alle Welshe en Ierse wijndrinkers Engels kennen? IJslands dan? Nee, niet Germaans genoeg. Grieks? Zou kunnen, maar niet in dit alfabet. Esperanto? Had gekund, maar niet op een wijn uit 2008. Tenzij er een maffe esperantist werkzaam is op het chĂąteau.
WĂĄt Ă­s dĂ­t? Waarom zijn het trouwens drie woorden in plaats van twee? Maar vooral: waarom kan ik dit niet plaatsen?!

Uiteraard brengt internet uitkomst: het is Litouws, en betekent letterlijk ‘bevattende is sulfieten’.
Niet aan gedacht. Litouws.
Iemand in Rioja, niet ver van Marokko, heeft dus bedacht dat speciaal voor 4 miljoen mensen in een voormalige Sovjet-republiek van wie de meesten geen geld hebben voor wijn, op de fles vermeld moet worden dat er sulfieten in deze wijn zitten. Ik vind het best. Sterker nog: ik vind het leuk. Maar ik vind het toch vooral héél raar.

Geplaatst in vreemde talen | Tags: , , | Plaats een reactie

ĐĂȘ È›Ă„Äșēñ ÊŠĂ€Ć† Ä˜ĆŻĆ™ĂžĂŸÄƒ (II)

Een half jaar geleden heb ik hier gemeld dat ik samen met taalkundige Jenny Audring een boek over de talen van Europa aan het schrijven was. Hierbij een kleine update.

Om te beginnen: we schrijven nog steeds. Er zijn nu vijftien hoofdstukken klaar, met Fries, Tsjechisch en Cornisch als jongste aanwinsten. (EĂ©n van de vijftien is inmiddels openbaar, en wel op mijn – net opgefriste! – website.) Vijftien voltooide hoofdstukken, dat lijkt heel wat. Maar we verwachten op zestig Ă  zeventig uit te komen, dus we zijn nog wel even zoet.

Al schrijvend gaat de gedachtenvorming verder. Zo hebben we bedacht dat de hoofdstukjes korter moeten – niet om tijd te besparen, maar om het boek nog leesbaarder te maken, en bovendien niet te dik en duur. Slanke boeken verkopen beter, zo simpel is het.

Ook is de werktitel ĐĂȘ È›Ă„Äșēñ ÊŠĂ€Ć† Ä˜ĆŻĆ™ĂžĂŸÄƒ inmiddels verlaten. Eerst voor Sprekend Europa, met als ondertitel De talen van ons continent. En onlangs voor De vréémde talen van Europa, met accentjes op de e’s dus, maar voorlopig zonder ondertitel. (Ik hoor graag wat jullie van deze ideeĂ«n vinden!)

Ik heb er een mooi, kleurig, opvallend plaatje bij gevonden, voorstellende de ontvoering van Europa door Zeus in stierengedaante, geschilderd door ene JuliĂĄn UrquĂ­a Molina. Dat kan een fraai boekomslag opleveren, denk ik, zeker als een bekwamere vormgever dan ik dat ontwerpt:

Wat nu nog ontbreekt, is een uitgever. Tot dusverre hebben we twee afwijzingen binnen. Summiere briefjes zijn dat, zonder  inhoudelijke toelichting, zodat je je bijna een stelletje schooiers gaat voelen die worden weggejaagd uit de marmerbeklede panden aan de Amsterdamse grachten (want daar zitten ze), in plaats van twee serieuze schrijvers die opgeteld aan hun vijfde boek toe zijn.

Enfin, dat komt wel goed. En in de tussentijd vermaken we ons kostelijk.

Geplaatst in boeken e.d., vreemde talen | Tags: , , , , | 3 reacties

Zijn gangetje

In politieke en wetenschappelijke toekomstverkenningen word je ermee doodgegooid: het business-as-usualscenario. Een nuttig begrip, want het laat zien ‘dat we iets moeten doen, want als het zo doorgaat, loopt het mis’. In het Engels klinkt het ook best aardig, denk ik. ‘Business as usual’ komt dicht in de buurt van ‘het gaat zijn gangetje’, en dat drukt de boodschap goed uit. Maar hoe zeg je dat nou in het Nederlands?

Je kunt gewoon ‘business-as-usualscenario’ zeggen. Natuurlijk. Maar ik ben nĂ©t taalpurist genoeg om dat toch een zwaktebod te vinden, zo’n Engelse mondvol. Alleen, ik wist geen alternatief. Tot gisteren. Want toen hoorde ik RIVM-medewerker Joop Oude Lohuis reppen van een ‘doorsukkelscenario’. Hij zei het terloops – misschien is het in RIVM-kringen een alledaagse vakterm – en ook wat binnensmonds – daar leent het woord zich ook goed voor – maar dit was onmiskenbaar wat hij zei: doorsukkelscenario.

En ik dacht: dåt is het. Het drukt uit dat er niets verandert én dat dat niet wenselijk is. Prachtig. Mijn dank aan Joop en aan de anonieme taalgebruiker die dit heeft bedacht.

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , | 4 reacties

Nuttig

Op een receptie raken twee mannen aan de praat. Ik hoor de ene vertellen dat hij hoogleraar taalkunde is, en dan vragen: ‘En wat doet u?’
De ander: ‘Ik ben civiel ingenieur.’
De hoogleraar taalkunde: ‘Ah, da’s ook een nuttig beroep.’
De ingenieur keek om de een of andere reden niet opgelucht.

Geplaatst in taal algemeen | Tags: , | 1 reactie