Het mensbeeld van de Poolse grammatica

Bij het woord ‘bezield’ denken we vooral aan kunstenaars of idealisten. Veel minder bekend is het als grammaticale vakterm. In de Nederlandse grammatica speelt bezieldheid dan ook een marginale rol, maar in de Slavische talen is dat anders. En nu ik al een paar jaar Pools leer, heb ik op dat punt iets grappigs ontdekt.

Een belangrijke regel in het Pools is deze: mannelijke zelfstandige naamwoorden krijgen in de vierde naamval een andere uitgang wanneer ze bezield dan wanneer ze onbezield zijn. Een broer of een wolf is bezield (żywotny), een tafel onbezield (nieżywotne).* Maar in het meervoud wordt die grote groep van bezielde wezens in tweeën gesplitst. Mensen krijgen dan nog steeds een afwijkende naamvalsuitgang, maar dieren niet. Die worden in het meervoud tot de dode dingen gerekend. Waarom enkelvoud en meervoud op dit punt verschillen, ik zou het niet weten. Een Slavisch familietrekje.

De indeling lijkt op het eerste gezicht simpel, want ooms en bakkers behoren tot de mensen, katten en muggen tot de dieren. Maar hoe zit het met de fabelwezens? Waar laat je de reuzen en kabouters in je grammatica? En de engelen en de duivels? Zijn smurfen mensjes of zijn ze daar te blauw voor? En centaurs en sfinxen – geeft het bovenlijf of het onderlijf de doorslag? Is een tovenaar menselijk? Een spook? Een halfgod, een hele god? Een zombie? Een trol? Vragen, vragen – geef er maar eens antwoord op. Ik bedoel dat letterlijk: loop het lijstje nog eens na en kies zelf welke wezens jij menselijk genoeg zou vinden.

Ben je zo ver?

Dan nu de antwoorden die de Polen hebben gekozen. Als ik de woordenboeken mag geloven, vallen er behoorlijk veel kandidaat-mensen af. Duivels bijvoorbeeld tellen niet mee, maar engelen en (half)goden wel. Dat getuigt van een wat naïef mensbeeld, vind ik, en ook theologisch is het discutabel, want duivels zijn volgens de mensen die het kunnen weten gevallen engelen. Volgende: geesten en spoken, menselijk of niet? Niet, vinden de Polen. Maar zombies en vampiers dan weer wel, terwijl dat alle vier getransformeerde mensen zijn. Tenzij mijn horrortheologie hier tekortschiet, dat zou kunnen.

Heel veel wezens komen dus niet door de ballotage. Zoals centaurs en sfinxen. Een mensenlijf is kennelijk een vereiste. Ook reuzen niet. Te groot? Of te eng – wat dan weer het afvallen van trollen en gnomen zou kunnen verklaren. Dwergen worden evenmin toegelaten tot de mensenclub. Te klein? Te niet-bestaand? En wat me het meest verbaasde: smurfen (smerfy) vallen eveneens af, terwijl die toch in hun gedrag, spraak en zang buitengewoon menselijk overkomen, zolang ze althans niet door waterkranen glippen. Maar misschien zijn ze te blauw, of wie weet is het hun staart die ze diskwalificeert.

Al die regels zijn niet in beton gegoten. De Polen kunnen ermee spelen om nuances uit te drukken. Als ze echte mensen wegzetten als ‘duivels’ of ‘dwergen’ of ‘smurfen’ (dat laatste gaat over blauwgejaste politiemensen), dan krijgen die woorden alsnog zo’n speciale vierde-naamvalsvorm. Ze worden dan ‘manspersoonlijk’, zoals dat in het Pools heet (męskoosobowe). Iets soortgelijks, maar dan omgekeerd, komt ook voor: aan een manspersoonlijk woord als psycholog kan (in de eerste naamval) een uitgang worden gehecht die normaal bij dieren en dingen wordt gebruikt. Het krijgt dan een pejoratieve, ongunstige bijklank.

Maar al die subtiliteiten werken dus alleen bij mannen. Want bij vrouwen wordt sowieso geen verschil gemaakt tussen mensen, dieren en dingen. Zangeressen, koeien en straten worden over één kam geschoren. Grammaticaal dan.

* Of een virus wel of niet leeft, is een twijfelgeval, ook in de Poolse grammatica. Leuk hè, biologen?

Onbekend's avatar

About Gaston

taaljournalist / language writer boeken: Lingua, Babel en andere books: Lingo, Babel
Dit bericht werd geplaatst in vreemde talen en getagd met , , , , . Maak de permalink favoriet.

Plaats een reactie